Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.3.2.2
IV.3.2.2 Herkomst en rechtvaardiging van ernstig verwijt-maatstaf in 2:9 BW
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460260:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierboven par. IV.2.2.2 en par. IV.2.5.
Huizink, in: GS Rechtspersonen, art. 2:9 BW, aant. 8.2.1 en 8.3.1; Van Schilfgaarde 2017, p. 486-487. Terzijde merk ik hier nog op dat de maatstaf ‘ernstig verwijt’ die destijds werd gehanteerd in het arbeidsrecht later is verruild voor ‘opzet of bewuste roekeloosheid’. Hiermee heeft de wetgever echter geen inhoudelijke wijziging beoogd. Kamerstukken II 1987/88, 17 896, nr. 8, p. 28. Ook de Hoge Raad gebruikte ernstige verwijtbaarheid en opzet of bewuste roekeloosheid door elkaar heen: HR 10 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2066, NJ 1996/669, m.nt. Stein (Roebbers/Van de Ven). De ernstig verwijt-maatstaf in het kader van 2:9 BW heeft in de loop der tijd echter een eigen, losstaande betekenis gekregen. Zie hierover met verdere verwijzingen Westenbroek 2017, par. 4.4 en 5.2.2.
Kritisch over deze gelijkschakeling: Westenbroek 2019b, p. 91-96.
Of anders wel als niet-ondergeschikte in de zin van artikel 6:171 BW, of een vertegenwoordiger in de zin van artikel 6:172 BW; waarvoor vergelijkbare regelingen bestaan. Zie Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017, nr, 61; Westenbroek 2017, p. 339, 409.
Zie hieromtrent Asser/Sieburgh 6-IV 2019/191-193 en Westenbroek 2019b, p. 90-91 met verdere verwijzingen.
Stolp verwijst voor de rechtvaardiging van de ernstig verwijt-maatstaf naar de wetsgeschiedenis van 2:9 BW, en brengt de verhoogde drempel in verband met de algemene bestuurlijke taakvervulling. Stolp 2013.
Deze laatste rechtvaardigingsgrond leunt op de aanname dat bestuurdersaansprakelijkheidsregels daadwerkelijk effect uitoefenen op het gedrag van bestuurders, waarover meer in par. IV.3.4.
Bartman 2014. In dezelfde zin, Van Schilfgaarde in zijn annotatie bij Hezemans Air, nr. 7 en 8.
Bartman 2014. Cf. Westenbroek 2021, par. 3-4, waarin Westenbroek benadrukt dat bestuurders – als bewaarnemers van de verschillende (zowel interne als externe) belangen die samenkomen in de rechtspersoon – ook op grond van 2:9 BW jegens derden gehouden zijn tot een behoorlijke taakvervulling.
Om de oproep voor normatieve convergentie te begrijpen, is van belang stil te staan bij de herkomst van de ernstig verwijt-maatstaf in artikel 2:9 BW. Zoals eerder besproken is de ernstig verwijt-maatstaf een codificatie van een rechtsregel die is geïntroduceerd in het Staleman/Van de Ven-arrest.1 In dit arrest kiest de Hoge Raad ervoor om de aansprakelijkheidsdrempelvaninternebestuurdersaansprakelijkheid(aansprakelijkheid van de bestuurder jegens de rechtspersoon) en interne werknemersaansprakelijkheid (aansprakelijkheid van de werknemer jegens de werkgever) gelijk te trekken, en destijds was voor interne werknemersaansprakelijkheid een ‘ernstig verwijt’ vereist.2
Er is best wat te zeggen voor de keuze van de Hoge Raad in het Staleman/Van de Ven-arrest om voor interne bestuurdersaansprakelijkheid aansluiting te zoeken bij de toets die geldt voor interne werknemersaansprakelijkheid.3 De bestuurder is zelf namelijk in de regel ook een ondergeschikte in de zin van artikelen 6:170 BW en 7:661 BW.4Artikel 7:661 BW beschermt de ondergeschikte (en dus ook de bestuurder) tegen aansprakelijkheid jegens de rechtspersoon, en artikel 6:170 lid 3 BW voorziet de ondergeschikte van regresmogelijkheden indien deze persoonlijk aansprakelijk wordt gesteld door een derde. Voor het beperken van de aansprakelijkheid van werknemer jegens werkgever bestaan verschillende rechtvaardigingsgronden. In de literatuur wordt onder meer erop gewezen dat de werknemer werkt ten behoeve van de werkgever (‘profijttheorie’); dat de werknemer door zijn werkzaamheden wordt blootgesteld aan de mogelijkheid om aansprakelijk te worden gesteld door derden (gevaarzettingstheorie); en dat de werknemer financieel afhankelijk is van de werkgever.5 Door het gelijkschakelen van de maatstaf voor interne bestuurdersaansprakelijkheid en interne werknemersaansprakelijkheid, wordt voorkomen dat de bescherming die deze artikelen aan de bestuurder-werknemer bieden wordt omzeild via de aansprakelijkheidsregelingen in Boek 2 BW.
In het kader van interne bestuurdersaansprakelijkheid, zijn nog andere rechtvaardigingsgronden denkbaar voor het verhogen van de aansprakelijkheidsdrempel door middel van de ernstig verwijt-maatstaf. Allereerst kan worden gewezen op het feit dat de aandeelhouders en vennootschap er een belang bij hebben dat de bestuurder voldoende beleidsruimte heeft en dat hij zijn taak als bestuurder naar behoren kan vervullen6 zonder dat de bonafide bestuurder wordt gehinderd door dreigende aansprakelijkheid.7 Daarnaast is er bij interne bestuurdersaansprakelijkheid sprake van zelfgekozen betrokkenheid van degenen die de bestuurder aansprakelijk stellen. In dat kader merkt Bartman op dat hij achter Staleman/Van de Ven altijd een element van ‘culpa in eligendo’ heeft vermoed.8 Hij merkt op dat ‘de vennootschap en haar insiders ‘hun’ bestuurder de nodige ruimte dienen te geven’, en dat ‘bij een dergelijke mandaatspositie ook een beperkte mogelijkheid tot aansprakelijkstelling past’.9 Ten slotte kan de hogere aansprakelijkheidsdrempel van 2:9 BW niet los worden gezien van het collegiale karakter van de interne bestuurdersaansprakelijkheid. Op grond van artikel 2:9 BW zijn alle leden van een meerhoofdig bestuur collectief verantwoordelijk en hoofdelijk aansprakelijk. De in 2:9 BW ingebouwde mogelijkheid voor individuele bestuurders om aan te voeren dat hen geen ernstig verwijt van het onbehoorlijke bestuur treft, haalt de scherpe randjes af van de wettelijke verantwoordelijkheid voor het handelen van de andere bestuurders, en zorgt voor een goede balans tussen (bestuurs)vrijheid en verantwoordelijkheid.