Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/28.3
28.3 Bewijsrecht en bewijsuitsluiting
mr. dr. R. Stijnen, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Uit art. 339 lid 1 Sv volgt dat als wettige bewijsmiddelen alleen worden erkend: (1) eigen waarneming van de rechter; (2) verklaringen van de verdachte; (3) verklaringen van een getuige; (4) verklaringen van een deskundige; (5) schriftelijke bescheiden. Waarbij in het tweede lid is bepaald dat feiten of omstandigheden van algemene bekendheid geen bewijs behoeven. Zie over de strafrechtelijke bewijsregels T. Kooijmans, ‘Bewijzen door de strafrechter’, AA 2010/7-8, p. 456-465 en Stijnen 2011, p. 570-584.
Indien een derde belanghebbende om handhaving verzoekt kan gelet op art. 4:2 lid 2 Awb wel worden gevergd dat de aanvrager zijn vermoeden dat sprake is van een overtreding onderbouwt. Zie ABRvS 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2649, AB 2017/22, m.nt. R. Stijnen.
Zie ook Kamerstukken II, 2003/04, 29702, 3, p. 131.
EHRM 23 juli 2002, ECLI:CE:ECHR:2002:0723JUD003461997, EHRC 2002/88, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven (Janosevic t. Zweden); GvEA 12 september 2007, ECLI:EU:T:2007:268 (Coats Holdings t. Commissie); HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6350, JB 2011/129, m.nt. C.L.G.F.H. Albers en ABRvS 10 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:234, AB 2013/274, m.nt. R. Stijnen. Zie daarover meer uitgebreid R. Stijnen, ‘De onschuldpresumptie bij de oplegging van bestuurlijke boetes: recente ontwikkelingen inzake bewijskwesties en het nemo-teneturbeginsel’, JBplus 2017/2 (Stijnen 2017), p. 123-144.
EHRM 12 juli 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0712JUD002542409, EHRC 2013/219, m.nt. J.H.B. Bemelmans (Allen t. VK); HR 15 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP7628, JB 2011/114, m.nt. J.J.J. Sillen en HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643, AB 2015/187, m.nt. R. Stijnen.
Zie vooral CRvB 14 februari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV1956, RSV 2006/121.
CBb 28 maart 2013, ECLI:NL:CBB:2013:BZ6866, JOR 2013/174, m.nt. M. Van Eersel en CBb 20 februari 2015, ECLI:NL:CBB:2015:49, JOR 2015/144, m.nt. V.H. Affourtit.
HR 19 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1141, AB 2007/2, m.nt. M.P. Jongma; HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3354, NJ 2016/58, m.nt. J.M. Reijntjes en CBb 25 februari 2014, ECLI:NL:CBB:2014:96, RF 2014/48.
HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4459, NJ 2006/371 en CBb 12 oktober 2017, ECLI:NL:CBB:2017:326, AB 2018/41.
ABRvS 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1818, AB 2017/386, m.nt. R. Stijnen.
ABRvS 17 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4579.
Vgl. HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539, NJ 2013/145, m.nt. T.M. Schalken en ABRvS 3 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:111, AB 2013/275, m.nt. R. Stijnen.
HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643, AB 2015/187, m.nt. R. Stijnen.
HR 1 juli 1992, BNB 1992/306, m.nt. P. den Boer.
Vgl. HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, AB 2014/27, m.nt. R. Stijnen.
Y.E. Schuurmans, ‘Onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal in het bestuursrecht’, AA 2017/5, p. 388-399.
CRvB 11 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2410, RSV 2007/175, m.nt. R. Stijnen en CRvB 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:947, Gst. 2016/86, m.nt. R. Stijnen.
Stijnen 2017.
HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5706, NJ 2013/310, m.nt. B.F. Keulen; CRvB 30 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3288, AB 2016/389, m.nt. C.W.C.A. Bruggeman en CBb 26 oktober 2017, ECLI:NL:CBB:2017:343, AB 2017/430, m.nt. R. Stijnen.
EHRM 17 december 1996, NJ 1997/699, m.nt. G. Knigge (Saunders/VK); EHRM 16 juni 2015, AB 2017/286, m.nt. R. Stijnen (Van Weerelt/Nederland); HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117, AB 2017/287 en CBb 10 januari 2018, ECLI:NL:CBB:2018:3, RF 2018/33.
Het strafrecht kent een gesloten stelsel van bewijsregels (artikel 339 Sv1) en kent voor een bewezenverklaring naast het vereiste van wettig bewijs de eis dat de rechter overtuigd is van de schuld van de verdachte (artikel 338 Sv). In het bestuursrecht kennen we ter zake van (ambtshalve te nemen2) belastende besluiten alleen een onderzoeksplicht van het bestuursorgaan naar de relevante feiten (artikel 3:2 Awb) en de mogelijkheid van ambtshalve aanvulling van de feiten door de bestuursrechter (artikel 8:69 lid 3 Awb). In dit verband wordt wel gesproken van de vrij-bewijsleer. Is dit een tekortkoming als het gaat om de bewijslastverdeling en bewijsmaatstaf inzake bestuurlijke boetes? Volgens mij niet.3 Uit de in artikel 6 lid 2 EVRM neergelegde onschuldpresumptie wordt afgeleid dat de bewijslast dat een betrokkene een overtreding heeft begaan bij het boeteopleggende bestuursorgaan ligt en dat bij twijfel het voordeel aan de betrokken natuurlijke of rechtspersoon dient te worden gegund.4 Dat bij bestraffende sancties aldus een bewijsmaatstaf geldt die vergelijkbaar is met die van de rechterlijke overtuiging in het strafrecht maakt niet dat de straf- en de bestuursrechter aan elkaars oordelen zijn gebonden.5 Daarvoor worden in beide kolommen de bewijsregels te zeer verschillend geacht, terwijl omtrent de doorwerking ook geen wettelijke bewijsregels, zoals in het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, zijn opgenomen in de Awb of Sv.6
Deze bewijslastverdeling laat onverlet dat een wettelijke verplichting op een vergunninghouder kan rusten zijn activiteiten te documenteren en dat een bestuursorgaan een overtreding kan vaststellen op grond van het niet kunnen overleggen van de gevraagde documentatie.7 Verder kan een documentatieplicht ook met zich brengen dat de onderneming bewijs tegen zich zelf produ- ceert. Dit speelt zowel in het strafrecht als in het bestuursrecht.8 Waar de bewijslast ligt bij de overtreder – denk aan excepties en disculpaties – geldt net als in het strafrecht een andere bewijsmaatstaf. Voldoende is dan dat aannemelijk is dat zich een dergelijke bijzonderheid voordoet of dat daarvan juist niet is gebleken.9
Analoog aan het strafrechtelijke bewijsrecht wordt in het bestuursrecht grote waarde toegekend aan schriftelijke verslaglegging door een opsporingsambtenaar of toezichthouder van feiten die deze zelf heeft waargenomen en wordt door de rechter doorgaans meer waarde toegekend aan de eerste door een getuige tegenover een opsporingsambtenaar of toezichthouder afgelegde en opgetekende verklaring dan een nadien gewijzigde verklaring.10 Verder wordt bij betwisting de enkele verklaring van één getuige onvoldoende geacht om het bewijs van overtreding aan te nemen.11 En bij afgeschermde getuigen worden in het bestuursrecht, net als in het strafrecht, aanvullende eisen gesteld met het oog op de verdedigingsrechten en de waarheidsvinding.12
In een arrest van 20 maart 201513 maakt de Hoge Raad in navolging van de advocaat-generaal Wattel een vergelijking tussen artikel 359a Sv en de toepassing in het (fiscale) bestuursrecht van het ‘zozeer indruist’-criterium dat volgt uit een arrest uit 1992.14 Anders dan de advocaat-generaal ziet de Hoge Raad in bestuursrechtelijke zaken aanleiding om voor de bruikbaarheid van strafvorderlijk onrechtmatig verkregen bewijs vast te houden aan het ‘zozeer indruist’criterium, met dien verstande dat de Hoge Raad daarnaast als maatstaf hanteert of het bewijs niet reeds op grond van artikel 6 EVRM zou moeten worden uitgesloten. Het verschil met artikel 359a Sv lijkt daarmee flinterdun.15
In een bijdrage in Ars Aequi heeft Schuurmans inzake onrechtmatig bewijs uiteengezet dat enerzijds het beeld is dat in het bestuursrecht vrijwel alles kan, omdat bijna nooit aan het ‘zozeer indruist’-criterium wordt voldaan en dat anderzijds het beeld van de makkelijke bestuursrechter niet juist is voor bewijsmateriaal dat bestuursrechtelijk onrechtmatig is verkregen.16 We zien inderdaad dat de Centrale Raad van Beroep al snel meent dat aan het ‘zozeer in- druist’-criterium is voldaan indien sprake is van een niet noodzakelijk huisbezoek, terwijl niet is voldaan aan informed consent of indien observaties plaatsvinden met behulp van technische hulpmiddelen. In die gevallen neemt de Raad een ernstige schending van artikel 8 EVRM aan.17 Schuurmans wijst er terecht op dat het ‘zozeer indruist’-criterium uiteindelijk een zodanig grofmazige regel oplevert dat die gunstig uitvalt voor het belang van effectieve rechtsbescherming en nadelig voor het belang van waarheidsvinding, handhaving van de openbare orde en vergelding.
Met betrekking tot het zwijgrecht zijn er twee lijnen of scenario’s die EVRM-proof zijn als het gaat om de informatievordering afgezet tegen het in artikel 5:10a Awb op zeer beperkte wijze neergelegde zwijgrecht en de daarmee samenhangende cautieplicht: (scenario-a) er wordt bij een eerste verdenking direct een cautie verstrekt of (scenario-b) de verhorende toezichthouder laat dit na, maar dan draagt het bestuursorgaan (of de rechter) er zorg voor dat belastende verklaringen niet worden gebruikt voor beboeting of strafvervolging.18 Verklaringen die onder druk of zonder voorafgaande cautie zijn afgelegd mogen dan wel worden gebruikt voor op herstel gerichte besluiten, maar niet voor de boeteoplegging. In alle kolommen leidt handelen in strijd met artikel 29 Sv of artikel 5:10a Awb tot bewijsuitsluiting.19 Dat zal (naar verwachting) ook zo zijn waar het gaat om handelen in strijd met scenario b.20