Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/2.6:2.6 Conclusie
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/2.6
2.6 Conclusie
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264571:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vuistpandhouder van vruchtgevende goederen had een recht van pandgebruik. Dit was de bevoegdheid om het onderpand te gebruiken en de vruchten ervan te trekken. Deze bevoegdheid was onderdeel van het vuistpandrecht. Zij kwam naast de algemene executiebevoegdheid van de pandhouder. Met de uitoefening van zijn gebruiksbevoegdheid kon de pandgebruiker periodieke inkomsten (vruchten) genereren. Deze vruchten kwamen in de plaats van een rentevergoeding of aflossing op de gesecureerde vordering. Zo gaf het recht van pandgebruik de pandhouder een aanvullende mogelijkheid om zijn vordering voldaan te krijgen, naast executie of integrale voldoening door de pandgever.
Het recht van pandgebruik kwam voor in verschillende antieke rechtsstelsels. In het Griekse en Grieks-Egyptische recht kwam de vestiging van dit recht ten behoeve van een geldlening al voor in de derde eeuw voor Christus. Romeinen in Egypte gingen al in de eerste eeuw voor Christus transacties aan waarbij een recht van pandgebruik werd gevestigd. In het Romeinse recht deed het recht van pandgebruik zijn intrede in de derde eeuw na Christus. Tijdens de economische crises die toen woedden, hadden geldleners niet meer voldoende zekerheidswaarde in de executie-opbrengst van pandobjecten. Het recht van pandgebruik voorzag in de behoefte aan aanvullende zekerheidswaarde voor de zekerheidsgerechtigde. De pandgebruiker had immers niet alleen recht op de mogelijke executie-opbrengst, maar ook op de vruchten van het onderpand.
Het recht van pandgebruik kon stilzwijgend ontstaan bij de vestiging van een pandrecht, als het onderpand een economische gebruikswaarde had (antichresis tacita). In aanvulling op dit stilzwijgende recht van pandgebruik konden partijen een nevenbeding (pactum antichreticum) opnemen in de pandovereenkomst. Dit konden zij doen bij de vestiging van het pandrecht, of later. In een beding van pandgebruik konden partijen het recht van pandgebruik nader invullen. Dit beding kon bovendien een recht van pandgebruik toekennen als dit recht niet van rechtswege ontstond, bijvoorbeeld als een pandrecht rustte op een zaak die geen vruchten voortbracht. Het aannemen van een bevoegdheid tot pandgebruik was verenigbaar met het leerstuk van furtum usus. De pandhouder pleegde namelijk alleen diefstal als hij het onderpand gebruikte, terwijl hij niet bevoegd was tot pandgebruik. Waar de bevoegdheid tot pandgebruik eindigde, begon het leerstuk van furtum usus. De pandhouder was niet van rechtswege bevoegd tot pandgebruik, indien het onderpand geen economische gebruikswaarde had.
Het recht van pandgebruik kon ontstaan in combinatie met het pandrecht, maar ook in combinatie met de klassiek-Romeinse fiducia. Een recht van pandgebruik kon ook bestaan als een zelfstandig goederenrechtelijk recht. Daartoe sloten partijen een overeenkomst van antichresis. Daarnaast ontstond een zelfstandig recht van antichresis als overblijfsel van een pandrecht als de (gewezen) pandhouder het Gordiaanse retentierecht kon uitoefenen. Voorts kon het zelfstandige recht van antichrese ontstaan op grond van de wet, bijvoorbeeld bij de missio Antoniniana. Het recht van zelfstandige antichrese was een aantrekkelijke mogelijkheid om een vordering af te lossen door de schuldeiser een gebruiksrecht toe te kennen. In het bijzonder was het recht van zelfstandige antichrese geschikt voor goederen die zich niet goed leenden voor executoriale verkoop, maar wel een economische gebruikswaarde hadden.
De rechten uit pandgebruik traden in werking op het moment waarop de pandgebruiker het onderpand in vuistpand kreeg. Dit kon onmiddellijk gebeuren, bij de vestiging van het pandrecht. De combinatie van een recht van pandgebruik met een hypotheca was echter ook mogelijk. In dat geval konden partijen gedurende de looptijd overeenkomen dat een vuistloos pandrecht werd omgezet naar een vuistpandrecht met recht van pandgebruik. Bij een hypotheekrecht konden de rechten uit pandgebruik voorts intreden op het moment waarop de schuldenaar in verzuim kwam en de pandgebruiker de verpande goederen in vuistpand nam. Als een recht van pandgebruik rustte op een verhuurd stuk grond, was voor de uitoefening van dit recht mogelijk niet vereist dat de pandgebruiker de grond onder zich had.
Als het recht van pandgebruik onmiddellijk bij de vestiging van het pandrecht tot stand kwam, werkte het als een instrument waarmee de schuldenaar een gedeelte van zijn schuld of een rentevergoeding voldeed. In plaats van het ontvangen van aflossing van (een gedeelte van) de gesecureerde vordering of een rentevergoeding mocht de pandhouder goederen van de schuldenaar gebruiken. Het recht van pandgebruik duurde dan de hele looptijd van een geldlening voort. Met de mogelijkheid van een verzuim-pandgebruik kon het recht van pandgebruik echter ook functioneren als een executiemiddel. Bij verzuim van de schuldenaar kon de pandhouder verhypothekeerde goederen onder zich nemen en gebruiken. Zo kon hij rente verkrijgen, en mogelijk de hoofdsom. Daarnaast speelde het recht van pandgebruik een rol als de pandhouder zijn Gordiaanse retentierecht uitoefende om zijn schuldenaar tot nakoming van ongedekte schulden te dwingen. De Gordiaanse retentor kon voortgaan met het gebruik van het onderpand, zolang hij zijn retentierecht uitoefende. Daaraan deed niet af dat het pandrecht zelf teniet was gegaan.
Het recht van pandgebruik had goederenrechtelijke werking. De pandgebruiker kon zijn recht tegen derden handhaven met de actie uit het pandrecht, de actio Serviana. Daarnaast kon de hij vorderingen van derden afweren met de exceptie dat hij de goederen die hij gebruikte, in pand had gekregen. Hetzelfde gold voor het zelfstandige recht van antichrese. De gerechtigde tot zelfstandige antichrese werd beschermd alsof hij pandgebruiker was. Hij kon tegen verlies van de in antichrese gegeven zaken optreden met een actio Serviana in factum.
De zekerheidsgerechtigde oefende het recht van pandgebruik uit op goederen die vruchten konden voortbrengen. Veelal ging het om (agrarisch) land, huizen, slaven of beperkte genotsrechten daarop. Zo mocht de pandgebruiker een huis verhuren of zelf bewonen. Hij mocht grond verpachten of zelf bewerken. Hij mocht een verpand beperkt genotsrecht uitoefenen. Slaven mocht hij voor zich laten werken; zo nodig mocht hij die slaven zelfs de benodigde ambachten leren. Had de pandgebruiker kosten gemaakt om het onderpand te verbeteren, dan kon hij die kosten verhalen op de schuldenaar met de actio pigneraticia contraria. Voorts is aannemelijk dat de pandgebruiker bevoegd was om huurvorderingen te innen die verschuldigd waren voor een woning waarop hij een pandrecht had. Deze bevoegdheid gold zelfs als de pandhouder geen partij was bij de huurovereenkomsten die waren gesloten. Een combinatie van het recht van pandgebruik met een hypotheca lag in dat geval voor de hand. De pandhouder kon huurvorderingen innen met de actio Serviana utilis. De grens aan de bevoegdheden van de pandgebruiker was echter misbruik van het onderpand. Beschadiging kon leiden tot aansprakelijkheid uit de actio pigneraticia directa. Misbruik kon leiden tot het tenietgaan van het pandrecht, of aansprakelijkheid met de actio furti. Enkele Novellen van Keizer Justinianus laten zien dat misbruik van het recht van pandgebruik door uitbuiting van weinig kapitaalkrachtige schuldenaren op de loer lag. Justinianus trad tegen deze uitbuiting op met verbodsbepalingen en strafbaarstellingen.
Het recht van pandgebruik had twee verschillende functies: aflossing en rentevergoeding. Als het recht van pandgebruik een rentefunctie had, verkreeg de pandgebruiker de gebruiksopbrengst van het onderpand in plaats van een rentevergoeding. De gebruiksopbrengst kwam dan dus ten goede aan de rentepandgebruiker. Op het recht van pandgebruik met rentefunctie waren de Romeinsrechtelijke rentemaxima van toepassing. Als de jaarlijkse gebruiksopbrengst hoger was dan het bedrag dat de pandgebruiker aan rente mocht innen over de gesecureerde vordering, moest hij het meerdere in mindering brengen op de hoofdsom.
Bij het aflossingspandgebruik kwamen de vruchten van het onderpand in mindering op de gesecureerde vordering. Zij kwamen dus primair ten goede aan de pandgever. Het recht van pandgebruik had een aflossingsfunctie als partijen dit waren overeengekomen, maar ook als sprake was van een stilzwijgend recht van pandgebruik. Bij het aflossingspandgebruik konden partijen een vast rentepercentage overeenkomen. Als partijen geen rentepercentage overeenkwamen, was in het geheel geen rente verschuldigd. De pandgebruiker was verplicht om het onderpand naar vermogen te gebruiken. Als de pandgebruiker deze gebruiksplicht niet nakwam, kwam het bedrag dat de pandgebruiker door pandgebruik had kunnen verkrijgen in mindering op de gesecureerde vordering.
Na executoriale verkoop ging het recht van pandgebruik teniet. Hetzelfde gebeurde, als de schuldenaar zijn schuld had voldaan. Na het tenietgaan van het recht van pandgebruik met aflossingsfunctie was de pandhouder verplicht om eventuele gebruiksopbrengsten die nog over waren, aan de pandgever af te staan. Deze verplichting deed zich niet voor bij het rentepandgebruik. Doordat de gehele vruchtopbrengst gold als rentevergoeding en dus toekwam aan de pandgebruiker, kon er niets overblijven.
Al met al speelde het recht van pandgebruik vanaf de derde eeuw een belangrijke rol bij het pandrecht op vruchtgevende goederen. Teksten die een pandrecht op dit soort goederen behandelden, namen het recht van pandgebruik aan als een vanzelfsprekendheid.