Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/2.3.1.1
2.3.1.1 Parlementaire geschiedenis
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS622185:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Pari. Gesch. Boek 5, p. 122-125.
Pad. Gesch. Boek 5, p. 122.
Arnold 1978, p. 157.
Thans: artikel 6:174, lid 2 BW.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 123.
Part Gesch. Boek 5, p. 124-125.
Aardig is om te zien dat destijds een link werd gelegd met het voorgestelde wetsontwerp leidingen-registratie, althans dat het wettelijk regelen van de eigendom van leidingen in verband werd gebracht met de leidingenregistratie. In het huidige tijdsgewricht is min of meer ook gelijktijdig met de aankondiging van het voornemen om artikel 5:20 BW uit te breiden in verband met de eigendom van leidingen, tevens het voornemen tot de grondroerdersregeling (of: Wion) geuit.
Tijdens de parlementaire behandeling1 werd naar aanleiding van de natrekkingsregel in artikel 5:20, eerste lid BW divers commentaar gegeven dat, voor zover hier van belang, bestond uit het aspect van de eigendom van gas-, waterleiding-, rioleringbuizen etc. Gevraagd werd of het voor de praktijk niet nuttiger zou zijn om in het Burgerlijk Wetboek een aparte regeling op te nemen die de eigendom van genoemde buizen zou regelen:2
`Men heeft de vraag gesteld of het niet voor de praktijk nut zou kunnen afwerpen dat hetzij in dit artikel hetzij elders een regeling zou worden gegeven omtrent de eigendom van gas-, waterleiding- en rioleringsbuizen, alsmede elektriciteitskabels (vlg. De Nederlandse Gemeente, 1955, blz. 556/7). Men behelpt zich thans met tamelijk gewrongen constructies; men vestigt bijv. een servituut, waarbij het bedrijf of de centrale installatie heersend erf is of men introduceert een recht van opstal ook waar het ondergronds gelegen installaties betreft. De commissie vraagt zich af, of men er met het ontwerp niet uitkomt door toepassing van artikel 5.8.1. alwaar het recht van opstal wordt gedefmieerd als het zakelijk recht om niet alleen op, maar ook in de grond van een ander gebouwen, werken of beplantingen in eigendom te hebben. In dit verband zou dan in het bijzonder moeten worden gelet op de woorden 'in de grond' en 'werken'. art. 758 spreekt alleen van 'op eens anders grond'. Is de minister bereid hierover zijn visie mede te delen?'
Het antwoord van de minister luidde:
`In het voorlopig verslag is in verband met opmerkingen in De Nederlandse Gemeente 1955, blz. 556/7, de vraag ter sprake gebracht of niet een regeling moet worden gegeven omtrent de eigendom van gas-, waterleidings- en rioleringsbuizen, alsmede elektriciteitskabels. Met de commissie is ondergetekende van oordeel dat artikel 5.8.1. een oplossing voor deze problematiek kan bieden. Dit artikel opent de mogelijkheid om een recht van opstal te vestigen met betrekking tot buizen en kabels, die in de grond worden gelegd. De in art. 5.8.1. mede met het oog op deze leidingen aangebrachte wijziging maakt ook het vestigen van een recht van opstal betreffende bovengrondse leidingen mogelijk. Verwezen zij naar hetgeen bij art. 5.8.1. in deze memorie is opgemerkt. Ook de verruiming van de mogelijkheid tot het vestigen van erfdienstbaarheden in het gewijzigd ontwerp kan in dit verband van betekenis zijn: zie art. 5.6.1.'
Als reactie hierop stelt Arnold in zijn artikel dat de aangeboden oplossing geen soelaas geeft indien de grondeigenaar niet wil meewerken:3
`Met name gemeenten zelf (waarvan de vermelde vraag was uitgegaan) zijn veelal niet bereid voor de aanleg van een leiding in hun grond iets anders te geven dan een (privaatrechtelijke) vergunning, zodat in die gevallen volgens de heersende leer het betrokken leidinggedeelte gemeente-eigendom wordt. (...) De bereidheid van de grondeigenaar om ten behoeve van leidingaanleg een opstalrecht te vestigen, zal niet worden vergroot door artikel 6.3.2.7. lid 2 NEW4 waar de wetgever hem ter wille is door de daar bedoelde aansprakelijkheid bij doorgaande leidingen op de leidingbeheerder te leggen.'
De conclusie van Arnold is dat niet zozeer het recht van opstal, maar de horizontale natrekking op dit punt de voorkeur geniet. In het eindverslag wordt gerefereerd aan het artikel van Arnold met de vraag of het geen aanbeveling verdient in artikel 5.3.1 uitdrukkelijk aan te geven dat ondergrondse leidingen niet door natrekking eigendom van de grondeigenaar worden. De reactie van de minister op de hiervoor genoemde aanbeveling was vrij uitgebreid, maar hield geen antwoord in op de vraag of leidingen door verticale natrekking eigendom moesten worden van de grondeigenaar:5
`Vooropgesteld moet worden dat de vraag of bij ondergrondse leidingen horizontale of verticale natrekking plaatsvindt, geheel losstaat van de vraag of het geoorloofd is een zodanige leiding door andermans grond te laten lopen. Ook in geval van horizontale natrekking — die tot gevolg heeft dat de leiding eigendom is van de eigenaar van het gebouw waarvan zij uitgaat — zal men een opstalrecht of een erfdienstbaarheid of een in de registers ingeschreven overeenkomst als bedoeld in art. 6.5.3.4. nodig hebben om de leiding ter plaatse te mogen hebben, wil men dat recht ook aan latere verkrijgers van de grond kunnen tegenwerpen. Het enkele feit dat men eigenaar van de leiding is, rechtvaardigt immers nog niet dat men nu ook bevoegd is deze in andermans grond aan te leggen of te handhaven. Een enkele toestemming van de grondeigenaar tot het leggen van de leiding bindt niet ook de latere verkrijgers van de grond. Het verdient voorts ook geen aanbeveling een regeling te maken volgens welke tegen derden werkende rechten op leidingen in andermans grond zouden kunnen ontstaan, zonder dat van deze rechten zou blijken uit een daartoe bestemd register waarvoor in de eerste plaats de openbare registers van afdeling 3.1.2. in aanmerking komen. Een verplichting tot het dulden van leidingen in de grond kan gebruikt worden waardoor derden niet moeten kunnen worden verrast. Men kan ook denken aan pijpleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Tegen deze achtergrond is de door Arnold aan de orde gestelde vraag of er bij ondergrondse leidingen sprake moet zijn van verticale of horizontale natrekking van ondergeschikt belang. In art. 5.3.1. onder e wordt zij evenals in het huidige recht aan de rechter overgelaten waarbij aantekening verdient dat de heersende leer tot nu toe op het standpunt van verticale natrekking staat, maar dat een andere oplossing afhankelijk van de omstandigheden van het geval niet is uitgesloten.'
De minister vervolgde zijn reactie met een opmerkelijke stelling:
`Te bedenken valt dat ook een strakkere regel op dit punt geen zekerheid omtrent de eigendom van de leiding zou brengen. Aan de eisen voor horizontale natrekking zou immers in elk geval niet meer zijn voldaan als de verbinding tussen de leiding en het gebouw waarvan zij uitgaat zou worden verbroken. Maar deze verbreking zal zich uiteraard gemakkelijk aan de waarneming onttrekken zowel van de eigenaren door wier grond de leiding loopt als van evt. derden die de registers raadplegen. Men denke aan het in de praktijk niet onbelangrijk geval van leidingen die in onbruik zijn geraakt maar niet zijn opgeruimd.'
Arnold suggereert in zijn artikel juist dat voor een goed begrip van de slotzin van artikel 5:20, eerste lid onder e BW ('voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak') artikel 3:4 BW van belang is, aangezien dit artikel in het eerste lid de flexibele bepaling bevat dat al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, bestanddeel van die zaak is. Deze bepaling zou, in combinatie met artikel 5:3 BW als wettelijke grondslag van de horizontale natrekking kunnen gelden. Arnold geeft weliswaar aan dat dit laatste 'teniet' zou kunnen worden gedaan door het tweede lid van artikel 3:4 BW ('een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht'), maar dat uit artikel 5:14, derde lid BW 'hoop' geput kan worden omdat in die context de vraag, welke zaak als hoofdzaak is aan te merken, toch weer in verband wordt gebracht met de verkeersopvatting. Tenslotte concludeert de minister dat het onwenselijk is om in het nieuw BW bij vragen over leidingen steeds aan te knopen bij de eigendom ervan, maar het veeleer te zoeken in vestigen van beperkte zakelijke rechten of kwalitatieve verbintenissen, terwijl het soms ook de voorkeur verdient aan te sluiten bij de figuur van de beheerder van de leiding. Hiermee ging de minister volledig voorbij aan het signaal uit de praktijk dat de aanleg van leidingen in andermans grond niet altijd via de minnelijke weg verloopt en dus dat bij gebrek aan regelgeving over de eigendomsvraag betreffende leidingen onduidelijkheden kunnen ontstaan:6
`Het is daarom in het nieuwe wetboek wenselijk geacht bij juridische vragen omtrent leidingen zo min mogelijk aan te knopen bij de eigendom ervan maar het veeleer te zoeken in vestigen van beperkte zakelijke rechten of kwalitatieve verbintenissen terwijl het soms ook de voorkeur verdient aan te sluiten bij de figuur van de beheerder van de leiding die een belangrijke rol zal spelen in het wetsontwerp betreffende leidingenregistratie dat thans in voorbereiding is en dat gevolg zal geven aan het rapport van de werkgroep Leidingen-registratie 1972 uitgegeven door de Staatsuitgeverij. Ook in art. 6.3.2.7. lid 2 wordt hierbij aangesloten voor wat betreft de vraag van de aansprakelijkheid voor schade ontstaan doordat een leiding niet voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld. Indien met de hier bedoelde leidingenregistratie7 voldoende ervaring is opgedaan kan worden onderzocht in hoeverre het mogelijk is ook zakenrechtelijk bij deze vorm van registratie aansluiting te zoeken.'
Kortom, de wetgever heeft ondanks de gevoerde discussie tijdens de parlementaire behandeling uitdrukkelijk aangegeven dat de verticale natrekking met betrekking tot netten als heersende leer moet worden beschouwd. Indien partijen voor leidingen wilden afwijken van de heersende leer, dan konden ze hun 'heil zoeken' in beperkte zakelijke rechten of kwalitatieve verbintenissen. Op zich was de noodzaak voor een andere benadering dan de benadering van de verticale natrekking, ook niet direct aanwezig. Het overgrote deel van de leidingen in de grond was van overheidsbedrijven of -partijen (eigendomsvraag speelde niet of nauwelijks) en overdracht van netten was ook nauwelijks aan de orde. De sinds de jaren tachtig ingezette privatisering van overheids- en energiebedrijven en overdracht van overheidsgronden aan private partijen (zoals: projectontwikkelaars), heeft ertoe geleid dat de eigendomsvraag rondom leidingen weer actueel werd.