Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VI.3.1
VI.3.1 Gebonden overheidsorganen
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS597482:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie § V.6.
Zo expliciet EHRM 21 september 2006, nr. 13583/02, par. 43 (Pandy/België); EHRM 21 juni 2007, nr. 9029/05, par. 27 (Kampanellis/Griekenland); EHRM 29 mei 2012, nrs. 39820/08 en 14942/09, par. 75 (Shuvalov/Estland). Implicieter heeft het Hof de rechterlijke verantwoordelijkheid voor een nauwkeurige woordkeuze ook wel benadrukt: “The Court underlines that there can be no justification for a court of law to make a premature pronouncement of this kind.” Zie op die manier EHRM 9 december 2008, nr. 5422/04, par. 54 (Wojciechowski/Polen); EHRM 8 februari 2011, nr. 24860/08, par. 54 (Finster/Polen)
Vooral de over voorlopige hechtenis oordelende rechter gaat dikwijls de mist in. Zie onder meer EHRM 19 september 2006, nr. 23037/04 (Matijašević/Servië); EHRM 6 februari 2007, nr. 14348/02 (Garycki/Polen); EHRM 27 februari 2007, nr. 65559/01 (Nestak/ Polen); EHRM 21 juni 2007, nr. 9029/05 (Kampanellis/Griekenland); EHRM 9 december 2008, nr. 5422/04 (Wojciechowski/Polen); EHRM 20 september 2011, nr. 39602/05 (Fedorenko/Rusland); EHRM 15 oktober 2013, nr. 34529/10 (Gutsanovi/Bulgarije); EHRM 26 juni 2016, nr. 76522/12 (Mugoša/Montenegro); EHRM 31 januari 2017, nrs. 18232/11, 42945/11 en 31596/14 (Vakhitov e.a./Rusland).
EHRM 8 april 2010, nr. 40523/08 (Peša/Kroatië).
EHRM 30 juni 2009, nr. 75109/01 (Viorel Burzo/Roemenië); EHRM 24 mei 2011, nr. 53466/ 07 (Konstas/Griekenland); EHRM 9 juli 2013, nr. 43943/07 (Mălăescu/Roemenië) .
EHRM 26 maart 2002, nr. 48297/99, par. 50 (Butkevicius/Litouwen).
EHRM 28 juni 2011, nr. 28834/08 (Lizaso Azconobieta/Spanje).
Zie o.a. EHRM 10 oktober 2000, nr. 42095/98 (Daktaras/Litouwen); EHRM 4 maart 2008, nr. 33065/03 (Samoila en Cionca/Roemenië); EHRM 25 maart 2008, nr. 42084/02 (Vitan/Roemenië); EHRM 7 januari 2010, nr. 32130/03 (Petyo Petkov/Bulgarije); EHRM 4 maart 2010, nr. 28245 (Mokhov/Rusland); EHRM 11 oktober 2016, nr. 20758/04 (Turyev/Rusland).
Bijv. EHRM 10 februari 1995, nr. 15175/89, NJ 1997, 523, m.nt. Dommering (Allenet de Ribemont/Frankrijk); EHRM 28 oktober 2004, nrs. 48173/99 en 48139/99 (Y.B. e.a./Turkije); EHRM 2 juni 2009, nr. 24528/02 (Borovsky/Slowakije); EHRM 29 juni 2010, nr. 12976/05 (Karadağ/Turkije); EHRM 6 november 2012, nr. 23185/03 (Maksim Petrov/Rusland).
EHRM 8 oktober 2013, nr. 29864/03, par. 141 (Mulosmani/Albanië).
EHRM 18 maart 2010, nr. 58939/00, par. 62 (Kouzmin/Rusland).
General Comment 1984/13, par. 7; General Comment 2007/32, par. 30.
Zie o.a. CRM 20 juli 2000, nr. 770/97, par. 8.3 (Gridin/Rusland); CRM 30 maart 2005, nr. 973/2001, par. 7.4 (Khalilov/Tajikistan); CRM 10 maart 2010, nr. 1520/2006, par. 6.5 (Mwamba/Zambia).
CRM 30 oktober 2013, nr. 1910/2009 (Zhuk/Wit-Rusland); CRM 21 oktober 2014, nr. 1773/2008 (Kozulina/Wit-Rusland).
CRM 29 oktober 2012, nr. 1940/2010 (Cedeño/Venezuela).
CRM 8 juli 2004, nr. 964/2001 (Saidov/Oezbekistan); CRM 22 juli 2009, nr. 1397/2005 (Engo/Kameroen); CRM 16 juli 2010, nr. 1502/2006 (Marinich/Wit-Rusland).
Hiervoor § VI. 2.1.2.
De onschuldpresumptie bindt op de eerste plaats de zittingsrechter. De over schuld oordelende rechter mag niet voorbarig uitdrukking geven aan de gedachte dat de verdachte schuldig is. Sterker nog, de zittingsrechter dient een definitieve overtuiging daaromtrent pas te vormen nadat hij het onderzoek ter terechtzitting heeft gesloten. Die norm is te beschouwen als een aspect van de bewijsdimensie.1 De behandelingsdimensie gebiedt daarnaast andere met overheidsgezag beklede personen zich in hun naar buiten toe kenbare gedragingen te onthouden van een schuldoordeel jegens de niet-veroordeelde.
Volgens het EHRM verbiedt de behandelingsdimensie dat public officials of agents d’état zich prematuur uitlaten over de schuld van de verdachte. Daarbij kan in de eerste plaats worden gedacht aan de vaste actoren binnen de strafrechtspleging. Van een rechter mag uit hoofde van zijn functie een extra grote terughoudendheid worden verwacht. Het Hof rekent rechters een onnauwkeurige formulering sneller aan en is minder bereid woorden in het licht van hun context welwillend te begrijpen.2 Onderzoeksrechters als de rechter-commissaris, de raadkamer die beslist over de voorlopige hechtenis en de over de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf oordelende rechter hebben de onschuldpresumptie derhalve bijzonder nauwlettend in acht te nemen.3Artikel 6 lid 2 EVRM normeert ook de gedragingen van bij het strafrecht niet betrokken rechters, zoals de burgerlijke rechter, de bestuursrechter en de tuchtrechter, zo bleek reeds in de vorige paragraaf. Maar niet alleen de rechter moet op zijn woorden passen. Ook onder andere staatshoofden,4 ministers,5 parlementariërs,6 provinciale topambtenaren,7 leden van het Openbaar Ministerie8 en politiemensen9 hebben met hun bejegeningswijzen een Straatsburgse veroordeling veroorzaakt. Alle vertegenwoordigers van de overheid zijn dus gebonden, zij het dat de positie en status van de betrokken ambtenaar een factor van belang zijn bij de beoordeling van hun gedragingen.
Of van een overheidsfunctionaris sprake is, zal meestal duidelijk zijn, maar twee zaken laten zien dat twijfelgevallen bestaan waarin het zal afhangen van de omstandigheden van het geval. In Mulosmani/Albanië had de voorzitter van een politieke partij de verdachte publiekelijk van de moord op de premier beschuldigd. Dat leverde geen schending van de onschuldpresumptie op, omdat deze bekende Albaniër handelde als een particulier individu en hij als voorzitter van een politieke partij zowel wettelijk als financieel onafhankelijk was van de staat.10Kouzmin/Rusland betrof de uitlatingen van een gepensioneerd legerofficier, voormalig parlementslid en oud-presidentskandidaat van Rusland die zich destijds verkiesbaar had gesteld voor het gouverneurschap van een Russische regio. Op het moment van zijn uitspraken vervulde hij echter geen officieel dienstverband bij de overheid. Vanwege de door hem reeds beklede functies en aangezien hij ten tijde van de berechting van de verdachte inmiddels gouverneur was, oordeelde de kleinst mogelijke meerderheid van het Hof niettemin dat hij zich niet had uitgesproken als privépersoon maar als vertegenwoordiger van de overheid.11
Volgens het VN Mensenrechtencomité volgt uit de onschuldpresumptie dat “all public authorities” zich van beïnvloeding van het strafproces dienen te onthouden.12 Ook onder het IVBPR normeert dat niet alleen het handelen van strafvorderlijke autoriteiten,13 maar ook de gedragingen van bijvoorbeeld politieke ambtsdragers als ministers14 en staatshoofden.15 Voor state-directed media geldt hetzelfde, waarbij het Comité niet onderzoekt of overheidsfunctionarissen daadwerkelijk invloed op de berichtgeving hebben uitgeoefend.16 Deze ruime opvatting van de normadressaat van de behandelingsdimensie staat op gespannen voet met de hiervoor besproken uitspraak Mathioudakis/ Griekenland, waarin het Comité geen schending zag in bejegening als schuldige in een bestuursrechtelijke procedure, omdat deze zelf geen criminal charge was, ofschoon de verdachte tegelijkertijd strafrechtelijk werd vervolgd.17
De richtlijn stemt in dit opzicht met de rechtspraak van het EHRM en het Comité overeen. Artikel 4 richt zich tot alle publieke autoriteiten. De aan de richtlijn voorafgaande overwegingen bevestigen dat daarmee naast strafvorderlijke autoriteiten ook andere overheidsfunctionarissen zijn bedoeld, zoals in het bijzonder politieke ambtsdragers.