Heffingsmethoden, een valse dichotomie?
Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/3.2.2:3.2.2 Vier kernelementen
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/3.2.2
3.2.2 Vier kernelementen
Documentgegevens:
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS441130:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit komt aan de orde als de vereiste aangifte niet is gedaan of sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vanwege het feit dat het gekozen gezichtspunt zoveel invloed heeft op de uitkomsten van de onderlinge vergelijking, heb ik er voor gekozen om vier kernelementen als uitgangspunt te nemen. Deze vier kernelementen heb ik gedestilleerd uit de structuur van de AWR. Die bestaat namelijk uit een aantal hoofdstukken waarin per methode uiteen is gezet hoe de heffing en inning plaatsvindt. Dit zijn de hoofdstukken II (Aangifte), III (Heffing bij wege van aanslag, IV (Heffing bij wege van voldoening of afdracht op aangifte). De wetgever heeft daar een hoofdstuk VIIA (Bestuurlijke boeten) aan toegevoegd. Daarbij heeft hij er voor heeft gekozen om bij de beboeting van verschillende gedragingen onderscheid te maken tussen de heffingsmethoden. De vier kernelementen zijn:
het doen van aangifte (artikel 6 tot en met 8 AWR). Dit komt aan de orde in paragraaf 3.3 waarin ik tevens de processuele sanctie van de verzwaring van de bewijslast behandel;1
het toezicht (wanneer vindt het plaats en welke correctiemogelijkheden heeft de Belastingdienst; hoofdstukken III en IV van de AWR). Dit staat centraal in paragraaf 3.4;
de termijnen voor het betalen van het verschuldigde belastingbedrag. Dit behandel ik in paragraaf 3.5; en
de (bestuurlijke) boeten in het geval een belastingplichtige niet voldoet aan zijn wettelijke verplichtingen ten aanzien van het tijdig en juist doen van aangifte en het tijdig en volledig betalen van de belastingschuld (artikel 67a tot en met 67q AWR). Hier besteed ik aandacht aan in paragraaf 3.6.
Het deelonderzoek naar de kernelementen is vooral een onderzoek op hoofdlijnen. Slechts daar waar nodig zal ik meer ingaan op de details. De reden om dat te doen, is dat het vooral een onderlinge vergelijking betreft. Het bespreken van details is daarbij minder van belang. Bovendien bestaat dan de kans dat het uiteindelijke doel (een onderlinge vergelijking) uit het oog wordt verloren. Kenmerkend voor het deelonderzoek is ten slotte nog dat ik als het ware twee momentopnamen van de heffingsmethoden heb gemaakt: één in 1959 (ten tijde van de invoering van de AWR) en één in 2018. Primair richt ik me op de onderlinge vergelijking van de heffingsmethoden in hun huidige vorm. De reden om eveneens naar het verleden te kijken, is dat de inspecteursvereniging al meer dan vijftig jaar pleit voor een omzetting van de heffingsmethoden bij de inkomsten- en vennootschapsbelasting. Hierdoor bestaat de kans dat het (oorspronkelijke) pleidooi is gebaseerd op bepaalde destijds bestaande wettelijke bepalingen die in haar ogen knelpunten vormden, maar die inmiddels zijn gewijzigd of zelfs vervallen. Om vast te kunnen stellen of hiervan sprake is, breng ik ook de situatie anno 1959 in beeld.