Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/3.3.1
3.3.1 Internationalisering van financiële markten
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS389444:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II, 1985/86, 86-5316.
Regeringsverklaring uitgesproken door Minister-President R.F.M. Lubbers op 27 november 1989, Handelingen II, 1989/90, 14-307.
Zie D. Fortson, ‘The day Big Bang blasted the Old Boys into oblivion’, The Independent, 29 oktober 2006. Zie over de culturele impact van Big Bang op de traditionele Britse financiële sector P. Augar, The death of gentlemanly capitalism: the rise and fall of London’s investment banks, London: Penguin Books 2001 (1e druk 2000).
Zie C.M. Grundmann – van de Krol (m.m.v. J.B.S. Hijink), Koersen door de Wet op het financieel toezicht, 4e druk, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2012, p. 7.
Naast de hierboven beschreven programma’s op het gebied van deregulering en privatisering viel in de regeringsverklaring van het kabinet Lubbers II nog iets op: het expliciet benoemen en benadrukken van het belang van Amsterdam als financieel centrum.1 Nog explicieter over dit onderwerp was de regeringsverklaring van Lubbers III uit 1989: “De sector financiële dienstverlening verdient zorgvuldige aandacht. Het beleid zal in de komende jaren gericht zijn op de doelstelling, voorwaarden te scheppen waarin de Nederlandse financiële markten de uitdaging van allengs intensiever wordende internationale concurrentie volop aankunnen en waarbij Amsterdam zich als financieel centrum verder kan ontwikkelen.”2 Afgaande op de context waarin deze opmerking in de regeringsverklaring werd gemaakt, lijkt het erop dat de beleidsvoornemens van het kabinet voor de Nederlandse financiële markten in de eerste plaats waren ingegeven door afgeleide belangen, te weten de door de financiële sector via aanpalende dienstverlening te genereren belastinginkomsten en te creëren werkgelegenheid. Om deze inkomstenstromen en werkgelegenheid te kunnen behouden – en uit te bouwen – was een behoud van de concurrentiepositie van de Nederlandse financiële markten nodig. Hiermee kreeg het functioneren van de Nederlandse effectenmarkten ook een expliciet benoemd politiek belang.
Waar de ‘allengs intensiever wordende internationale concurrentie’ voor de Nederlandse financiële markten vandaan kwam, werd in de regeringsverklaring niet gespecificeerd. Het ligt evenwel voor de hand dat hierbij met name aan het Verenigd Koninkrijk is gedacht. In 1986 werd de inrichting van de London Stock Exchange (LSE) radicaal gewijzigd in het kader van een grootschalige moderniseringsoperatie die later zou worden aangeduid als de “Big Bang.” Het programma van Big Bang was gezamenlijk opgesteld door de LSE en de regering Thatcher en behelsde een aantal ingrijpende veranderingen in de wijze van effectenhandel (elektronische schermenhandel in plaats van fysieke handel via hoekmannen) en in het verdienmodel van handelende partijen (afschaffing van vaste commissieprijzen voor beurstransacties). Ook werd de traditionele scheiding tussen commissionairs en hoekmannen opgeheven en werd het voor buitenlandse partijen mogelijk om via overnames van Britse handelshuizen toegang tot de Britse effectenhandel te krijgen. De wijzigingen hadden onmiddellijk effect (vandaar de term ‘Big Bang’): de handelsvolumes en de waarde van de verhandelde stukken stegen sterk en de Britse financiële sector – en in het kielzog daarvan de bijdrage van de financiële sector aan de Britse schatkist – maakte mede door de komst van veelal Amerikaanse grootbanken een stevige groei door.3
Een andere belangrijke factor voor de positie van de Nederlandse financiële markten in internationaal verband waren de recente Europese ontwikkelingen. Tussen 1979 en 1982 werden op Europees niveau de eerste drie richtlijnen op het gebied van effectenrecht vastgesteld over achtereenvolgens de toelatingseisen voor effecten tot de effectenhandel (1979), de eisen aan een beursprospectus (1980) en eisen inzake periodieke informatieverschaffing door uitgevende instellingen (1982). Deze richtlijnen vormden de eerste aanzet om een geharmoniseerd Europees speelveld voor beleggers en uitgevende instellingen tot stand te brengen.4 Deze harmonisatieslag verplichtte de Lidstaten tot het vormgeven van een toezichtrechtelijk kader voor hun respectievelijke effectenbeurzen en dus tot een (her)overweging van de verhouding tussen overheid en de respectieve (private) beursexploitant. De Nederlandse staat kreeg daarmee met betrekking tot de nationale effectenmarkt zowel een urgenter publiek belang (behoud van concurrentiepositie van de financiële sector in internationaal verband) als ook een nieuwe publieke taak (inrichting van een systeem van toezicht in overeenstemming met de Europese richtlijnen).