Pandrecht op aandelen
Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/5.5.2:5.5.2 Toepassing beslagexecutievoorschriften roerende zaken?
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/5.5.2
5.5.2 Toepassing beslagexecutievoorschriften roerende zaken?
Documentgegevens:
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706189:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Stein, in: GS Vermogensrecht, art. 3:250 BW, aant. 3.3.2 en 3.3.3 (actueel t/m 01-01-2021); en Vriesendorp 2016, p. 343-344. Vgl. (dat bij de uitoefening van pandrecht Rv toepasselijk is) Asser/Van Mierlo & Krzeminski 3-VI 2020/10.
Vgl. Mwangi & Verhelst 2018, p. 18; De Korte 2016, p. 4; Vgl. Messelink 2009, p. 658 en 661.
Vgl. Vriesendorp 2016, p. 343-344.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
200. In de literatuur is bepleit om bij de invulling van de openbare verkoop van aandelen aansluiting te zoeken bij de voorschriften voor beslagexecutie van roerende zaken.1 Tot eind 2020 hield dat in dat de verkoop voorafgaand aan de veiling moest worden aangekondigd in een lokale krant en door aanplakbiljetten in de gemeente waarbinnen de verkoop zou plaatsvinden (art. 464 en 466 Rv (oud)). De analoge toepassing van deze regels bij aandelenexecutie lag niet voor de hand.2
Illustratief is de zaak die heeft geleid tot Rb. Amsterdam 30 januari 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:816 (Svyaznoy). In die zaak oordeelde de rechtbank dat een verkoopaankondiging met gebruik van plakzuilen in Amsterdam en advertenties in Het Parool en Het Financieele Dagblad ongeschikt was. Doorslaggevend voor dat oordeel waren de hoge geschatte waarde van de aandelen en dat de vennootschap actief was buiten Nederland. Vergelijkbaar werd geoordeeld in Rb. Amsterdam 19 juni 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:4238, r.o. 4.4 (Solutus). De rechtbank overwoog dat aankondiging van de verkoop op Amsterdamse plakzuilen in dat geval een ‘niet bijzonder nuttige maatregel’ was, en dus achterwege kon blijven.
201. Ook de nu geldende voorgeschreven termijn die moet verstrijken tussen de aankondiging en de veiling, te weten ten minste vier kalenderdagen (art. 465 Rv), is mijns inziens als uitgangspunt ongeschikt voor de veiling van niet-beursgenoteerde aandelen. Dat komt omdat de waarde van niet-beursgenoteerde aandelen voor derden doorgaans niet meteen duidelijk is. Het valt daarom niet te verwachten dat binnen zo’n kort tijdsbestek een koper zich een realistisch beeld kan vormen van de waarde. Deze onzekerheid kan de hoogte van de biedingen drukken, en zelfs leiden tot het ontbreken van een biedstrijd. Bovendien geeft het bepaalde ingewijden een voorsprong die in een eerder stadium al een goed beeld van de waarde hebben kunnen vormen, bijvoorbeeld de pandhouder die mee mag bieden op grond van artikel 3:250 lid 3 BW. Dit alles is mijns inziens in strijd met de gedachte achter openbare verkoop als manier om samenspanning te voorkomen en zo een maximale executieopbrengst te bereiken (§5.5.3).
Tegenwoordig is de verplichting tot aankondiging van beslagexecutie van roerende zaken in een krant en op plakzuilen vervallen, en moet de bekendmaking gebeuren op één of meer algemeen toegankelijke websites (art. 464 Rv). Toegankelijk houdt daarbij onder meer in dat er geen inlog- of registratievereisten mogen gelden, en dat het bezoek van de website gratis is. Ook biedt de wet inmiddels expliciet de mogelijkheid om de executieverkoop digitaal te laten plaatsvinden (art. 463 lid 2 Rv). Deze regels lenen zich mijns inziens voor analoge toepassing op pandexecutieveilingen van aandelen.3 Toch kan dat niet wegnemen dat de regeling van beslagexecutie van roerende zaken maar weinig houvast biedt bij de pandexecutie van aandelen.