Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/5.2
5.2 Historisch perspectief
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706301:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Mijnssen & Van Velten 3-III 1986/150. Zie Meilink 1898, p. 38 voor het recht dat gold voor 1874.
Zie De Kat 1921, p. 255; Meilink 1898, p. 76-77.
Meilink 1898, p. 75.
Meilink 1898, p. 58.
De Kat 1921, p. 283 sloot zijn artikelreeks over aandelenverpanding af met de veelzeggende woorden: ‘Bedenkt men bij een en ander, hoeveel moeite het somtijds reeds kost buiten het geval van executie aandelen op naam op eens anders naam te doen stellen, dan is duidelijk dat die aandelen in het algemeen een weinig begeerlijk pand zijn.’
Zie Kamerstukken II 1973/74, 12 897, nr. 3, p. 4 (MvT).
In bevestigende zin o.a. Van der Heijden/Van der Grinten 1946/181 en volgende drukken; Van Deutekom 1940, p. 240; Meilink 1898, p. 58-59. In ontkennende zin Meijers 1938, p. 42-43; (beslagexecutie) Cleveringa 1952, p. 206.
Kamerstukken II 1973/74, 12 897, nr. 3, p. 6 (MvT).
Voor 1992 was verkoop met toestemming van de pandgever ook mogelijk, maar leverde dit geen executie op, zie HR 1 april 1927, ECLI:NL:HR:1927:200(A. de Vries/Bank voor den Diamanthandel). In gelijke zin Scholten in NJ 1929, p. 622 en Asser/Mijnssen & Van Velten 3-III 1986/118. In laatstgenoemd arrest werden in pand gegeven genoteerde aandelen door de pandhouder verkregen tegen betaling van de middenkoers.
Als voorbeeld van goederen waarvoor openbare verkoop als executiewijze ongeschikt is en een andere wijze nodig is, noemt de minister nota bene verpande incourante effecten, zie Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 782.
Kamerstukken II 1970/71, 11 288, nr. 3, p. 6-7 (MvT).
Zie Kamerstukken II 1873/74, 25, nr. 4 p. 7-8 (Verslag der Commissie van Rapporteurs). Zie nader Asser/Mijnssen & Van Velten 3-III 1986/119.
Van Gasteren in JOR 2020/296. Schreurs 2013, p. 53; Clumpkens 2009, p. 45; Veerbeek 2003, p. 23.
Hiervan getuigt mijns inziens de toename in gepubliceerde rechtspraak over pandrecht op aandelen en de in de praktijk werkzame juristen die hierover publiceren. Vgl. Hamers 1996, p. 9 voetnoot 15.
187. Tussen 1874 en 1992 moesten verpande aandelen executoriaal worden verkocht volgens de regels voor de pandexecutie van roerende zaken – destijds lichamelijke roerende goederen geheten.1 Specifieke voorschriften voor de uitwinning van aandelen op naam ontbraken tot 1976. De toen geldende regels kwamen erop neer dat aandelen in beginsel openbaar moesten worden geveild naar plaatselijke gewoonten en in overeenstemming met de gebruikelijke voorwaarden (art. 1201 lid 1 BW oud).2 Wilde de pandhouder ze op een andere manier verkopen, dan moest hij naar de rechter. Hij kon dan vorderen dat het pandobject werd verkocht op een door de rechter te bepalen wijze, of dat hem werd toegestaan het pandobject te verkrijgen tegen een door de rechter te bepalen bedrag (art. 1202 lid 1 BW oud).
In de vroege literatuur werd betwijfeld of artikel 1201 en 1202 BW (oud) in de praktijk toepassing vonden op niet-beursgenoteerde aandelen op naam.3 De uitwinning was voor de pandhouder namelijk onaantrekkelijk. Zo was openbare verkoop volgens die schrijvers doorgaans niet de voordeligste manier van verhaal.4 Voor een andere wijze van verkoop moest de pandhouder echter naar de rechter, wat tijd en geld kostte. Een tweede moeilijkheid schuilde in een eventuele blokkeringsregeling. Gelet op de beperkte verkoopbaarheid die het gevolg kon zijn van zo’n regeling, werden aandelen een ‘gevaarlijk’ pandobject genoemd.5 Dit tezamen maakte ze aan het eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw in vergelijking met andere goederen lastiger om uit te winnen, en daarom een onaantrekkelijker pandobject.6
188. In 1976 werden nadere regels voor aandelenexecutie ingevoerd. Bepaald werd dat de pandhouder verplicht was om een statutaire blokkeringsregeling in acht te nemen bij executie, en dat de pandhouder alle ten aanzien van de vervreemding en overdracht aan de aandeelhouder toekomende rechten mocht uitoefenen en zijn verplichtingen ter zake moest nakomen (art. 2:89/198 lid 5 BW (oud)). Deze regel kan het best worden begrepen tegen de achtergrond van de waarborging van de vennootschappelijke beslotenheid.7 Dit was prangend geworden vanwege de invoering van de besloten vennootschap in 1971. Destijds bestond in de literatuur nog discussie over de toepasselijkheid van statutaire blokkeringsregelingen bij executie.8 Gelet op de verplichte beslotenheid van de bv vond de wetgever het nodig om een duidelijke regel te stellen wat betreft pandexecutie.9 Tegenwoordig geldt de regel nog steeds, maar is zij wat betreft bv-aandelen opgeschoven naar lid 6 (art. 2:198 BW).
In 1992 is bij de invoering van het huidige BW de oude pandexecutieregeling vervangen voor een nieuwe. De toepasselijke voorschriften voor pandexecutie van aandelen zijn echter op veel punten gelijk gebleven. Ook in de huidige wettelijke regeling staat voorop dat aandelen net als andere pandobjecten in beginsel openbaar kunnen worden verkocht (art. 3:250 lid 1 BW). En net als voorheen is daarvoor geen rechterlijk verlof nodig. Tegenwoordig mag de pandhouder echter ter veiling meebieden (art. 3:250 lid 3 BW). Wat betreft de van openbare verkoop afwijkende executiewijze geldt dat ook onder het huidige BW voorafgaande toestemming nodig is. Deze toestemming kan net als voorheen worden verleend door de rechter (art. 3:251 lid 1 BW). Anders dan voor 1992 kan tegenwoordig van executie ook sprake zijn wanneer de pandgever na verzuim zijn toestemming verleent voor een afwijkende executiewijze (art. 3:251 lid 2 BW).10
Het is opvallend dat de wetgever bewust geen nadere bepalingen voor de executie van verpande aandelen heeft willen treffen.11 Niet lang ervoor werd bij de vormgeving van de regeling van beslagexecutie namelijk wél een nadere regeling ingevoerd. Anders dan bij roerende zaken die geen registergoed zijn, waar openbare verkoop de hoofdregel is (art. 463 Rv), werd bij aandelen op naam gekozen voor een verplichte rechterlijke tussenkomst. Sinds 1972 bepaalt artikel 474g Rv in lid 3 dat de rechtbank bepaalt op welke wijze en onder welke voorwaarden de verkoop en overdracht moeten gebeuren. De parlementaire geschiedenis daarbij vermeldt dat de regeling beoogt dat zo de beste opbrengst wordt verkregen. Onderhandse verkoop onder toeziend oog van de deurwaarder wordt daarbij expliciet als voorbeeld genoemd.12 De gedachtegang bij de regeling voor beslagexecutie is bij de invoering van Boek 3 BW blijkbaar niet doorgetrokken naar de regeling van pandexecutie. Een verklaring daarvoor kan zijn dat artikel 3:250 en 3:251 BW voldoende ruimte bieden voor opbrengstoptimalisatie, en tegelijkertijd meer flexibiliteit verschaffen. De mogelijkheid tot openbare verkoop zonder voorafgaande toestemming van de rechter was namelijk ooit ingevoerd als praktische vergemakkelijking van het voor 1874 geldende (Franse) recht.13 De flexibilisering was bewust in het voordeel van de schuldeiser. Wellicht heeft de wetgever de pandhouder dit voordeel bij aandelen niet willen ontnemen.
De voorlopige uitkomst van de geschiedenis is dat de vrees in de vroegere literatuur voor de ‘gevaarlijke’ uitwerking van statutaire blokkeringsregelingen op aandelenexecutie is bevestigd door een wettelijke bepaling, en dat de wet tot op heden amper houvast geeft bij de wijze waarop aandelen executoriaal moeten worden verkocht. Mede daardoor ervaart de praktijk de uitwinning van aandelen nog steeds als (te) ingewikkeld.14 Dit probleem is klemmender geworden, nu aandelenverpanding in de praktijk een steeds belangrijkere rol lijkt te vervullen.15 Wat precies de lastigheid is bij de uitwinning van aandelen, zal blijken uit de rest van dit hoofdstuk.