Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/
Inleiding
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS488628:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
SER-advies 1972/16.
Kamerstukken II 1974-195, 13 350, nr. 4.
Kamerstukken II 1975-1976, 13 954, nr. 2.
Kamerstukken II 1975-1976, 13 954, nr. 3, p. 40.
De regering ging hiermee een stap verder dan (de meerderheid van) de SER, die meende dat volstaan kon worden met een declaratoire uitspraak. Stelde de ondernemer prijs op een goed arbeidsklimaat, zo was de gedachte, dan kon hij een dergelijke uitspraak moeilijk naast zich neer leggen. Bovendien meende (diezelfde meerderheid van) de SER dat met voorzieningen te zeer werd ingegrepen in het ondernemersbeleid. Ik verwijs naar p. 12-14 van het advies.
Vgl. par. 3.3.3.1
In maart 1975 gaf de regering met zijn wetsvoorstel tot invoering van een beroepsrecht gevolg aan een advies van de SER1 om, ter afronding van de in de Wet op de ondernemingsraden neergelegde medezeggenschapsgedachte, de ondernemingsraad het recht toe te kennen bij de Ondernemingskamer beroep in te stellen tegen ingrijpende besluiten van de ondernemer waarbij met name de belangen van de werknemers in het geding waren. De behandeling van het wetontwerp kwam niet verder dan een bespreking in de vaste Commissie voor Sociale Zaken.2 De regeling van het beroepsrecht werd namelijk geïncorporeerd (en op onderdelen aangescherpt) in het wetsontwerp tot algehele herziening van de Wet op de ondernemingsraden dat niet veel later bij de Tweede Kamer werd ingediend.3 De regering achtte de invoering van een beroepsrecht niet zozeer noodzakelijk omdat ondernemers vaak onredelijke besluiten zouden nemen, maar omdat daarvan een preventieve werking zou uitgaan: ondernemers zouden er toe aangezet worden een grote(re) procedurele zorgvuldigheid te betrachten bij het nemen van belangrijke besluiten. Bovendien zou daarmee bevorderd worden dat zij zich inhoudelijk meer rekenschap zouden geven van adviezen van de ondernemingsraad.4 De beoogde preventieve werking zou versterkt worden door de Ondernemingskamer niet alleen de bevoegdheid toe te kennen een declaratoire uitspraak te doen, maar ook die tot het treffen van voorzieningen, waaronder het opleggen van de verplichting het besluit in te trekken.5 Bij de toetsing door de Ondernemingskamer zou de door de ondernemer gemaakte ‘afweging van de betrokken belangen’ centraal staan (art. 26 lid 4 WOR). Hoe verhoudt zich, indien de ondernemer een naamloze of besloten vennootschap is, deze ‘afweging van betrokken belangen’ tot de afweging van belangen die binnen de verschillende organen van de vennootschap plaatsvindt, en wat is daarbij de rol van het vennootschappelijk belang?6