Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/11.4.2
11.4.2 De positie van de vennoten
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS390653:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 26 oktober 2000, 21156/93, punt 24 (G.J./Luxemburg).
EHRM 24 oktober 1995, 14807/89, punt 70 (Agrotexim e.a./Griekenland(1)).
EHRM 31 juli 2003, 16163/90, punt 21 (Eugenia Michaelidou Developments Ltd en Michael Tymvios/Turkije).
EHRM 31 juli 2003, 16163/90, punt 21 (Eugenia Michaelidou Developments Ltd en Michael Tymvios/Turkije).
EHRM 27 juni 2000, 35178/97, punt 1 (Ankarcrona/Zweden).
EHRM 29 november 1991, 12742/87, punt 42 (Pine Valley Developments Ltd e.a./Ierland).
ECRM 5 oktober 1987, 11834/85 (Euro Art Centre B.V. e.a./Nederland).
ECRM 10 december 1984, 10259/83 (S.p.r.l. ANCA e.a./België).
Het feit dat ook de individuele vennoten in hun belangen worden geraakt als de eigendomsrechten van de gezamenlijke vennoten worden geschonden, maakt nog niet dat zij in hun rechten direct geraakt zijn door een dergelijke schending. Weliswaar heeft de schending mogelijk een waardedaling van de economische deelgerechtigdheid van een vennoot tot gevolg, maar dit neemt niet weg dat de vennoten, door goederen vanuit hun privévermogen over te hevelen naar het afgescheiden vennootschappelijk vermogen, ook hun zeggenschap over die goederen ‘overgedragen’ hebben aan de vertegenwoordigers van de VOF. De weg voor de vennoten naar het EHRM is dan in beginsel afgesloten en de VOF zal op moeten komen tegen een vermeende schending; een eventuele schadevergoeding komt indirect, via een waardestijging van de economische deelgerechtigdheid, ten goede aan de vennoten. Niettemin hebben de Commissie en het EHRM in een aantal zaken aangenomen dat de aandeelhouders van een kapitaalvennootschap náást of in plaats van de vennootschap kunnen optreden. Zoals zal blijken, kan deze rechtspraak in beperkte mate de vennoten van een VOF baten.
In G.J./Luxemburg klaagde een 90%-aandeelhouder over de lengte van de liquidatieprocedure van ‘zijn’ failliete vennootschap.1 De door de rechter benoemde vereffenaar had er namelijk zes jaar over gedaan om de liquidatie tot een einde te brengen. De klagende aandeelhouder had volgens het EHRM een direct persoonlijk belang bij de klacht en hij werd aangemerkt als slachtoffer in de zin van art. 34 EVRM, omdat:
de klacht betrekking had op de activiteiten van de vereffenaars die destijds de vennootschap vertegenwoordigden, waardoor het destijds onmogelijk was voor de vennootschap zelf om een klacht in te dienen (ook wel de onmogelijkheidsexceptie genoemd), terwijl
de klager in feite zijn bedrijf uitoefende via de vennootschap, gezien het feit dat de klager en zijn echtgenote gezamenlijk alle aandelen in de vennootschap hielden (ook wel de vehicle-exceptie genoemd).
De onmogelijkheidsexceptie gaat niet op als de vertegenwoordigers van de vennootschap niet hebben verzuimd hun taken naar behoren te vervullen én als de aandeelhouders hebben nagelaten de mogelijke stappen ter vervanging van de vertegenwoordigers te zetten.2
Wat de vehicle-exceptie betreft, is relevant de zaak Eugenia MichaelidouDevelopments Ltd. en Michael Tymvios/Turkije.3 In deze zaak hadden Turkse gewapende strijdkrachten onroerende goederen bezet die aan het begin van de bezetting eigendom waren van een rechtspersoon en later van de natuurlijk persoon die alle aandelen hield in die rechtspersoon. Toen zowel de natuurlijke persoon als de rechtspersoon klaagden over schending van art. 1 EP, oordeelde het EHRM dat de klagers zo nauw met elkaar geïdentificeerd konden worden, dat het kunstmatig zou zijn om ze los van elkaar te beschouwen. Omdat de rechtspersoon het middel was voor de natuurlijke persoon om zijn bedrijf te voeren, werd de natuurlijke persoon ook gezien als slachtoffer voor de periode waarin de rechtspersoon nog eigenaar was; de natuurlijke persoon was in die periode eigenaar via zijn vennootschap.4
Door de vereenzelviging van rechtspersoon en aandeelhouder mag niet het risico worden gelopen dat meningsverschillen ontstaan tussen aandeelhouders onderling of tussen aandeelhouders en bestuurders over bijvoorbeeld de meest geschikte wijze om te reageren op een schending.5 Als de klager enig aandeelhouder en bestuurder is, is van een dergelijk risico geen sprake en kan de aandeelhouder worden toegelaten als slachtoffer in de zin van art. 34 EVRM. De klager hoeft niet zélf alle aandelen in een rechtspersoon te houden. Ook als de klager alle aandelen houdt in en enig bestuurder is van de eerste rechtspersoon, die op zijn beurt alle aandelen houdt in de tweede rechtspersoon, kan geoordeeld worden dat de klager zijn bedrijf uitoefent via de (eerste en de) tweede rechtspersoon en kan hij opkomen tegen schendingen van de eigendomsrechten van beide rechtspersonen.6 Ook als twee klagers gezamenlijk eigenaar en enig aandeelhouder van een rechtspersoon zijn én hun enige inkomen genereren uit deze rechtspersoon, kunnen zij worden aangemerkt als slachtoffer in de zin van art. 34 EVRM wegens inbreuken op de eigendom van ‘hun’ rechtspersoon.7
In een zaak waarin een rechtspersoon failliet was verklaard, klaagden zowel de rechtspersoon als de directeur/enig aandeelhouder als zijn partner, die voor de schulden van de vennootschap borg stond, over de onrechtmatigheid van de procedure die tot de faillietverklaring had geleid.8 Zij werden door de Commissie allen toegelaten als slachtoffers; de partner omdat zij naar aanleiding van het faillissement door de schuldeisers van de rechtspersoon persoonlijk was aangesproken uit hoofde van haar borgstelling.
De regels die uit de voorgaande jurisprudentie kunnen worden afgeleid, kunnen op de volgende wijze op de vennoten van een VOF worden toegepast. De onmogelijkheidsexceptie geldt voor de vennoten mijns inziens onder dezelfde omstandigheden als voor de aandeelhouder van een rechtspersoon. Ook bij de VOF kan immers een niet-vennoot door de rechter als curator worden benoemd, die door de vennoten niet kan worden vervangen. Als hij weigert een schadevergoedingsactie in te stellen namens de VOF, dan moeten de vennoten dit op een later moment alsnog kunnen doen. De vehicle-exceptie daarentegen lijkt de vennoten van een VOF weinig te kunnen baten. Ten eerste omdat de vennoten per definitie gezamenlijk een bedrijf uitoefenen via de VOF. Ten tweede brengt het feit dat er altijd meer vennoten zijn mee dat tussen de vennoten of tussen de niet-besturende vennoten en besturende vennoten/derden verschil van mening kan bestaan over de vraag of en hoe een procedure gevoerd moet worden. De besturende vennoten kunnen bijvoorbeeld van mening zijn dat de kosten de baten niet overtreffen terwijl de niet-besturende vennoten het er wel op willen wagen, of een deel van de vennoten is tevreden met de vanwege de onteigening geboden compensatie en een ander deel niet. Dat zij hun enige inkomen uit de VOF verwerven, maakt dit in beginsel niet anders. Een beroep op de vehicle-exceptie kan de vennoten mogelijk wel baten als alle vennoten in privé optreden vanwege een schending van de rechten van de VOF, omdat het dan kunstmatig zou zijn om een onderscheid te maken tussen de VOF en de vennoten. Tussen de vennoten bestaat dan klaarblijkelijk geen meningsverschil ten aanzien van het klagen over de schending. Ook bij een man-vrouwfirma waarvan de enige vennoten met elkaar gehuwd zijn (in gemeenschap van goederen) zouden de klagende vennoten in privé ontvankelijk kunnen zijn.
Kan uit de laatstgenoemde uitspraak over de klager die zich borg had gesteld worden afgeleid dat ook de vennoten van een VOF vanwege hun hoofdelijke aansprakelijkheid voor schulden van de VOF kunnen opkomen tegen schendingen van vennootschappelijke rechten? Ik meen van niet. In genoemde zaak was er geen risico van meningsverschillen, omdat de rechtspersoon én de enig aandeelhouder én de borg klaagden. Als in genoemde zaak alleen de borg had geklaagd over de schending, terwijl de rechtspersoon erin had berust, dan was de uitspraak mogelijk anders geweest. Helaas is de uitspraak nogal summier en geeft deze geen inzicht in eventuele andere relevante gegevens. Zo is het mogelijk dat de staat rechtstreeks jegens de borg onrechtmatig heeft gehandeld. Ook is niet duidelijk door wie de borg was aangesproken: wellicht was dit door de staat zelf.