Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/1.3.2
1.3.2 Wetgevingspakket DWU en internationale invloeden
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258631:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Punten 1 tot en met 4 van de Algemene inleiding van de CVA. In hoofdstuk 6 wordt nader ingegaan op de systematiek van de in de CVA voorgeschreven methoden ter vaststelling van de grondslag van de douanewaarde.
Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, OJ L 269, 10.10.2013, p. 1–101.
Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie, OJ L 343, 29.12.2015, p. 1-557.
Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, OJ L 343, 29.12.2015, p. 558–893.
Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 van de Commissie van 17 december 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446, OJ L 69, 15.3.2016, p. 1–313.
In het vervolg zal ik de term ‘DWU- wetgevingspakket’ gebruiken wanneer ik een integrale verwijzing maak naar de Europeesrechtelijke rechtsbronnen waarin de douanewaardebepalingen zijn vervat.
Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, ondertekend te Lissabon, 13 december 2007, Pb. C 306 van 17.12.2007, p. 1–271.
Ook onder het GDWU lijkt de Europese Commissie zijn bevoegdheden oneigenlijk te gebruiken. In dat kader kan gewezen worden op artikel 33 GDWU die fungeert als antimisbruikbepaling bij het bepalen van de niet-preferentiële oorsprong van ingevoerde goederen, zie Y. Melin en D. Arnold, Non-Preferential Customs Origin Under EU Law, GTCJ 14(10), p. 455.
Op 23 mei 2016 heeft de OESO-raad de aanpassingen aan de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (OESO-richtlijnen), zoals uiteengezet in actiepunten 8-10 en 13 van de in 2015 gepubliceerde BEPS-rapporten, vastgesteld. De aanpassingen zijn doorgevoerd in de 2017-editie van de OESO-richtlijnen die op 10 juli 2017 zijn gepubliceerd.
In de GATT Valuation Code wordt voorzien in een internationaal geaccepteerd systeem ter vaststelling van de douanewaarde. Na de oprichting van de WHO in 1995, is de GATT Valuation Code beter bekend onder de naam Customs Valuation Agreement (CVA). De Werelddouaneorganisatie (WDO) heeft met Commentaren, Case Studies en Adviezen (kortweg: instrumenten) voorzien in juridisch niet-bindende toelichtingen op de CVA. De primaire grondslag van de douanewaarde op grond van de CVA is de transactiewaarde van de ingevoerde goederen. Dit is de betaalde of te betalen prijs voor goederen die worden verkocht voor uitvoer naar het land van invoer. Indien de transactiewaarde geen toepassing vindt, is de grondslag van de douanewaarde de transactiewaarde van identieke of soortgelijke goederen. Indien informatie over de transactiewaarde van identieke of soortgelijke goederen ontbreekt, is de grondslag van de douanewaarde de prijs waartegen de goederen in het land van invoer aan een niet verbonden koper in dat land worden verkocht, dan wel wordt de grondslag vastgesteld op basis van de berekende waarde van de ingevoerde goederen. Indien deze alternatieve methoden elk geen toepassing vinden, wordt aan de hand van de ‘redelijke middelen’ de grondslag bepaald.1
Als WHO-lid heeft de Europese Unie de verplichting de CVA te implementeren in haar eigen douanewetgeving. Sinds 1 mei 2016 zijn deze douanewaardebepalingen vervat in het Douane Wetboek van de Unie (DWU)2, de Gedelegeerde Verordening (GDWU)3, de Uitvoeringsverordening van het DWU (UDWU)4 en de Gedelegeerde Transitieverordening DWU (TDWU)5.6 Daarnaast heeft de Europese Commissie nadere juridisch niet-bindende richtsnoeren uitgevaardigd die zijn vervat in het Guidance document on Customs Valuation en het Compendium Douanewaarde.7
Bij elk van de hiernavolgende aspecten speelt de vraag of de douanewaardebepalingen in het wetgevingspakket van het DWU conform met doel en strekking van de CVA zijn vastgesteld, daarbij in ogenschouw nemend de wijze waarop het CVA volgens de WDO moet worden geïnterpreteerd. Voorts speelt de vormgeving van het wetgevingspakket van het DWU (daarbij) een rol van betekenis. Het wetgevingspakket van het DWU is opgebouwd uit een basisverordening (DWU), een gedelegeerde handeling (GDWU) en een uitvoeringshandeling (UDWU). Met voornoemde opbouw sluit het Unierechtelijk douanerecht aan bij het delegatie- en comitologieregime onder het Verdrag van Lissabon8 dat op 1 december 2009 in werking trad (i.h.b. de artikelen 290 en 291 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU)). De vaststelling van een basisverordening geschiedt volgens de gewone wetgevingsprocedure. De gedelegeerde en uitvoeringshandelingen worden behandeld als afgeleide regelgeving waarvoor ter vaststelling interinstitutionele niet-wetgevende procedures worden gevolgd. Onder het DWU lijkt, in het bijzonder ten aanzien van een aantal hierna te bespreken aspecten, de Europese Commissie zijn bevoegdheden onder de interinstitutionele niet-wetgevende procedures oneigenlijk op te rekken, waardoor bepaalde douanewaardebepalingen in voornamelijk het UDWU op gespannen voet lijken te staan met de douanewaardebepalingen in het DWU (onderdelen 1.3.3, 7.3.8.2, 9.4.6.6 en 9.7.2).9
De vaststelling van de douanewaarde wordt ook indirect beïnvloed door internationale invloeden voortvloeiend uit het Base Erosion Profit Shifting (BEPS)-project. Het BEPS-project is een onderzoek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) op initiatief van de G20 naar of, en zo ja waarom, de huidige wetgeving toestaat dat belastbare winsten in andere staten gealloceerd kunnen worden dan waar de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Elk van de vijftien actiepunten, waarvan de eindrapporten in december 2015 zijn gepubliceerd, verschaffen overheden met nationale en internationale instrumenten om belastingontwijking een halt toe te roepen en te zorgen dat winsten worden belast in het land waar de economische activiteiten plaatsvinden en waarde wordt toegevoegd.10 Deze instrumenten hebben invloed op de wijze waarop de juridische, economische en financiële constellatie van concernstructuren is opgebouwd alsmede de vormgeving van goederenstromen. Daarmee wordt indirect invloed uitgeoefend op de vaststelling van de douanewaarde. In het bijzonder kunnen daarbij de volgende, hierna impliciet in het onderzoek te betrekken actiepunten worden genoemd:
Actiepunt 7: Tegengaan van artificiële ontwijking van vaste inrichtingen.
Actiepunt 8-10: Stroomlijnen van verrekenprijsregelgeving met waardecreatie.
Actiepunt 13: Richtlijnen rond verrekenprijsdocumentatie en land-per-land rapportering.
In de navolgende onderdelen zal inzichtelijk worden gemaakt welk actiepunt voor welk aspect van belang is en in dat kader in het onderzoek betrokken zal worden.