Douanewaarde in een globaliserende wereld
Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/1.3.5:1.3.5 Vaststellen van de elementen van de transactiewaarde
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/1.3.5
1.3.5 Vaststellen van de elementen van de transactiewaarde
Documentgegevens:
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258508:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie de aangehaalde literatuur en jurisprudentie in onderdeel 11.2.
Zie de aangehaalde literatuur en jurisprudentie in onderdeel 11.4.
Zie de aangehaalde literatuur en jurisprudentie in onderdeel 11.5.
Zie bijvoorbeeld: C. Truel and E. Maganaris, Breaking the code: the impact of the Union Customs Code on international transactions, WCJ 9(2) en A. Bal, The New Era of EU Customs Legislation, European Taxation 56(5).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de toepassing van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen wordt uitgegaan van de prijs die voor de verkoop van de ingevoerde goederen in rekening wordt gebracht. Partijen hebben in beginsel de vrijheid om zelf een prijs te bepalen. Bij de toepassing van zo’n subjectieve prijs bestaat er een incentive om goederen onder te waarderen, omdat een lagere prijs leidt tot een lagere belastbare grondslag voor verschuldigde invoerrechten. Deze op subjectieve leest geschoeide waarderingsmethode is daarom gedeeltelijk geobjectiveerd om onderwaardering van de goederen te voorkomen. Om te waarborgen dat de douanewaarde de economische waarde van de ingevoerde goederen reflecteert, kent het DWU, in navolging van het CVA, derhalve een limitatieve lijst met elementen die onderdeel van de betaalde of te betalen prijs moeten uitmaken.
In het bijzonder over het in aanmerking nemen van elementen die vanuit douaneperspectief worden aangeduid als commissies1, toeleveringen (‘assists’)2 en royalty’s en licentierechten3 zijn diverse academische bijdragen verschenen en rechtszaken gevoerd die aantonen dat wetgeving en praktijk niet zonder meer aansluiten. Dit houdt verband met het feit dat de economische werkelijkheid ten tijde van het vaststellen van de douanewaardebepalingen sterk afwijkt van de economische werkelijkheid van nu. Naast de intensivering van handelsrelaties gebaseerd op een inter-firm principe, zijn (fiscaal) operationele modellen geherstructureerd waarbij bedrijfsprocessen veelal centraal worden aangestuurd. Deze ontwikkelingen hebben tot gevolg dat in toenemende mate diensten of goederen gratis of tegen verminderde prijs door de koper van de ingevoerde goederen worden geleverd om te worden gebruikt bij de voortbrenging en verkoop voor uitvoer van de ingevoerde goederen. Telkens zal in zo’n geval aan de hand van diverse voorwaarden vastgesteld moeten worden of de waarde van deze diensten of goederen in aanmerking genomen moet worden voor de vaststelling van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen om onderwaardering van deze goederen te voorkomen. De voorwaarden lijken echter niet altijd toegerust op de complexiteit van de contractuele constellatie, de mate waarin partijen invloed en controle op elkaar uitoefenen alsmede de financiële stromen tussen de betrokken partijen.
Zoals eerder vermeld, moet de douanewaarde de economische waarde van de goederen reflecteren op het moment dat deze ten invoer worden aangegeven. Deze waarde wordt in toenemende mate beïnvloed door de bijkomende ‘beleving’ die de koper ervaart. Voor het vaststellen van de douanewaarde gaat het derhalve niet alleen maar om de betaling voor de materiële goederen, maar ook om de waarde van de immateriële goederen die daarmee onlosmakelijk zijn verbonden. Indien de immateriële goederen kwalificeren als royalty of licentierecht, moet de betaling voor deze immateriële goederen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking worden genomen voor het vaststellen van de douanewaarde. De Unierechtelijke bepalingen waarin deze voorwaarden zijn vervat, zijn op 1 mei 2016 gewijzigd met het toepasselijk worden van het DWU. Onder het DWU worden royalty's en licentierechten niet langer gedefinieerd. Ook lijkt sneller voldaan te zijn aan de voorwaarden waaronder royalty's en licentierechten onderdeel van de werkelijk betaalde of te betalen prijs moeten uitmaken.4 Hierdoor zullen betalingen voor royalty’s en licentierechten eerder belast zijn met als potentieel gevolg dat een hoger bedrag aan invoerrechten verschuldigd is. De precieze betekenis van de ‘lichtere’ voorwaarden zijn echter niet eenvoudig te duiden. Ook speelt de vraag in hoeverre de voorwaarden aansluiten bij de voorwaarden zoals vastgelegd in het CVA.
Voor zowel commissies, toeleveringen en royalty’s en licentierechten geldt dat invloed en controle die één van de partijen uitoefent op de andere van doorslaggevende betekenis kan zijn voor de vraag of de waarde van deze elementen bijgeteld moeten worden bij de betaalde of te betalen prijs van de ingevoerde goederen. Actiepunten 8-10 en 13 van het BEPS-project hebben invloed op de mate van invloed die partijen binnen concernverband op elkaar hebben. Deze invloed kan gevolgen hebben voor de ‘bijtelbaarheid’ van voornoemde elementen.