Wie heeft de leiding?
Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/6.1.2.4:6.1.2.4 Opstalrecht
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/6.1.2.4
6.1.2.4 Opstalrecht
Documentgegevens:
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS616169:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In deze situatie wordt er vanuit gegaan dat het aangebrachte werk niet door middel van horizontale natrekking eigendom is van een ander dan de neteigenaar van het net waarop het werk wordt aangebracht.
Zie BR 7 maart 1979, NJ 1980, 116.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Evenals een erfpachtrecht, zal het mogelijk kunnen zijn om een opstalrecht te vestigen op een net zodat een daarop of daaraan aangebracht werk (gebouw of beplanting zal immers niet snel aan de orde zijn bij netten) geen eigendom wordt van de neteigenaar1 Aan het einde van het opstalrecht wordt het aangebrachte werk, in beginsel, eigendom van de neteigenaar, tenzij in de akte van vestiging anders is bepaald (artikel 5:105 BW). Het opstalrecht ziet in beginsel alleen op het object waarop het recht is gevestigd en niet op bijvoorbeeld de omliggende grond. Echter doorgaans zal men van die omliggende grond gebruik moeten maken om het opstalrecht te kunnen uitoefenen. In artikel 5:103 BW is neergelegd dat de opstaller ten aanzien van de zaak waarop het opstalrecht rust, alleen die bevoegdheden heeft die voor het volle genot van zijn recht noodzakelijk zijn.2 In de situatie dat de neteigenaar een opstalrecht heeft gevestigd ten laste van zijn net, zal de opstaller in beginsel ook die bevoegdheden moeten hebben (zoals het betreden van het perceel van de grondeigenaar voor onderhoud) die nodig zijn om het volle genot van het net te hebben. De neteigenaar heeft die bevoegdheden niet automatisch uit hoofde van zijn (net)eigenaarschap, maar zal deze bevoegdheden — op zijn beurt — verkregen moeten hebben door middel van bijvoorbeeld een erfdienstbaarheid die ten behoeve van het perceel van de grondeigenaar is gevestigd. Gelet op artikel 5:84 BW is de opstaller bevoegd om ten behoeve van het aangebrachte werk een erfdienstbaarheid te bedingen voor bijvoorbeeld het verrichten van noodzakelijk onderhoud aan het werk dat aan hem in opstal is uitgegeven.