Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/3.3.3.1.1
3.3.3.1.1 Intermezzo: prijsverminderingen van 100%
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS495412:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Dit onderscheid speelt later in mijn onderzoek een rol van betekenis.
HvJ 27 april 1999, nr. C-48/97, V-N 1999/27.15 (Kuwait Petroleum).
Dit is overigens niet wat Kuwait Petroleum voorstond: zij bleef van mening dat haar klanten bij de aankoop van de brandstof ook al voor de geschenken hadden betaald.
Het HvJ concludeert uiteindelijk dat de door Kuwait Petroleum verrichte verstrekking ‘om niet’ (de onttrekking) moet worden gelijkgesteld met een levering onder bewarende titel, mits de goederen niet van geringe waarde zijn.
Uit het vorenstaande volgt dat aan prijskortingen en –rabatten uit art. 11 A lid 3 onderdeel b Zesde richtlijn en aan prijsverminderingen uit art. 11 C lid 1 Zesde richtlijn in principe een gelijkluidende betekenis kan worden toegekend. Toch is er iets dat deze begrippen van elkaar onderscheidt: de korting van 100%.1
Illustratief in dit verband is het Kuwait Petroleum-arrest.2 Kuwait Petroleum verkocht brandstof onder het merk Q8 en voerde een promotiecampagne, die inhield dat bij een bepaalde hoeveel getankte brandstof gratis zegels werden verstrekt. Deze zegels konden vervolgens worden ingewisseld tegen een geschenk. Kuwait Petroleum verbond zich ertoe deze geschenken binnen een bepaalde termijn te leveren. De Britse belastingdienst was van mening dat Kuwait Petroleum btw verschuldigd was over de verstrekte geschenken, omdat sprake zou zijn van een fictieve levering (nu een bezwarende titel ontbrak).3 Anders dan de belastingdienst was Kuwait Petroleum van mening dat wel sprake was van een bezwarende titel en dat de consument zowel voor de levering van brandstof als voor het geschenk een prijs had betaald (de totaalprijs), zodat zij reeds btw over de ‘gratis’ geschenken had voldaan. Het geschil belandt uiteindelijk bij het HvJ. Daar komt de vraag op of niet moet worden aangenomen dat de geschenken weliswaar tegen een bezwarende titel zijn geleverd, maar dat vervolgens op grond van art. 11 A lid 3 onderdeel b Zesde richtlijn een prijskorting of rabat (van 100%) is verleend.4
Volgens het HvJ dient deze vraag negatief te worden beantwoord. Het HvJ overweegt dat de toekenning van een korting of een rabat de levering van een goed onder bezwarende titel veronderstelt. Dit betekent dat er eerst een bezwarende titel moet zijn om te kunnen spreken van een korting of rabat. Het HvJ overweegt:
“16. De uitdrukkingen „korting” en „rabat” verwijzen als zodanig immers naar een slechts gedeeltelijke vermindering van de overeengekomen volledige prijs. Wanneer de vermindering daarentegen betrekking heeft op 100 % van de prijs, is er sprake van afgifte om niet. De overdracht van een goed om niet valt evenwel onder artikel 5, lid 6, van de Zesde richtlijn.
17. Op de eerste vraag dient derhalve te worden geantwoord, dat artikel 11, A, lid 3, sub b, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat de begrippen „prijskortingen” en „prijsrabatten” geen prijsvermindering kunnen omvatten die betrekking heeft op de volledige kostprijs van een levering van goederen.”
Ik kan het HvJ hierin volgen. Art. 11 A lid 3 onderdeel b Zesde richtlijn ziet immers op kortingen en rabatten die zijn genoten op het moment waarop de handeling wordt verricht. Als een korting of rabat op dat moment 100% van de (kost)prijs betreft (en deze prijs op dat moment niet eens hoeft vast te staan) dan zou de tegenprestatie en dus maatstaf van heffing nihil bedragen, zodat inderdaad moet worden aangenomen dat sprake is van afgifte van een goed om niet.5 Het HvJ komt uiteindelijk echter tot de conclusie dat de door Kuwait Petroleum verrichte onttrekking (het verstrekken van de geschenken ‘om niet’) moet worden gelijkgesteld met een levering onder bewarende titel, mits de goederen niet van geringe waarde zijn.
Uit bedoelde overweging mag mijns inziens echter geenszins de conclusie worden getrokken dat eenzelfde uitleg geldt voor toepassing van art. 11 C lid 1 Zesde richtlijn. Een prijsvermindering, zoals bedoeld in art. 11 C lid 1 Zesde richtlijn, kan in mijn optiek wel degelijk 100% van de tegensprestatie (de maatstaf van heffing) bedragen. Het gaat in die bepaling immers om prijsverminderingen die achteraf, dat wil zeggen: nadat de prestatie is verricht, worden verleend. In die gevallen is bij het verrichten van de prestatie al een tegenprestatie en een maatstaf van heffing vastgesteld, zodat op dat moment ook reeds sprake is van een prestatie onder bezwarende titel. Het verlenen van een korting achteraf van 100% betekent weliswaar dat de maatstaf van heffing achteraf wordt aangepast naar nihil, maar dat kan in mijn optiek niet afdoen aan de conclusie dat in het verleden wel reeds sprake was van een bezwarende titel. Kortom: kortingen en rabatten zoals bedoeld in art. 11 A lid 3 onderdeel b Zesde richtlijn kunnen niet leiden tot een vermindering van de vergoeding tot nihil; prijsverminderingen zoals bedoeld in art. 11 C lid 1 Zesde richtlijn kunnen dat mijns inziens wel.