Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming
Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/2.1.1:2.1.1 Kluswerk en het normatief structureren van arbeidsverhoudingen
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/2.1.1
2.1.1 Kluswerk en het normatief structureren van arbeidsverhoudingen
Documentgegevens:
Robert Knegt, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Robert Knegt
- JCDI
JCDI:ADS288376:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De opkomst van ‘klus- en klikwerk’ verandert de arbeidsverhoudingen. In discussies daarover wordt soms een beeld opgeroepen van een arbeidswereld in verval: waar eens vaste arbeidsrelaties de boventoon voerden, dreigt nu alles te vervloeien tot een ongereguleerde opeenvolging van gigs. Is dat beeld juist? In hoeverre waren er in het verleden ook klusjes en ‘algoritmes’ voor het verdelen daarvan? In deze bijdrage zal ik het perspectief tot vier eeuwen verbreden en laten zien dat daarmee onze blik op huidige kwesties rondom kluswerk kan worden verruimd.
De centrale vraag in deze bijdrage is: welke vroegere vormen van werk zijn vergelijkbaar met platformwerk, hetzij door hun ‘klus’-karakter, hetzij doordat gebruik werd gemaakt van min of meer geobjectiveerde mechanismen voor de toedeling van werk? Hoe werden die vormen van werk normatief ingekaderd en wat kunnen we daarvan leren voor de inkadering van huidig platformwerk en van het gebruik van algoritmes?
Het beeld van een arbeidswereld die in klusjes uiteen zou vallen, contrasteert huidige ontwikkelingen met relatief ‘vaste’ arbeidsverhoudingen vroeger. We moeten ons echter realiseren dat – voor zover dit beeld al klopt – deze vaste verhoudingen, historisch gezien, eigenlijk vrij uitzonderlijk zijn geweest. Dat zogenoemde ‘vaste contract’ met de bescherming en sociale zekerheid die eraan was opgehangen – in de tijd van mijn grootouders bestond dat nog niet. Het is pas een jaar of zestig geleden dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd de norm is geworden.1 Dat mag voor velen al lang geleden lijken, maar het beeld wordt anders als we huidige ontwikkelingen relateren aan de veel ruimere periode van vier millennia waarover we iets weten van de regulering van arbeidsverhoudingen. Stelt men zich die periode even voor als een dag van 24 uur, dan zijn we met die vergelijking met het ‘vaste’ contract bezig binnen het laatste kwartiertje van die dag, en negeren we wat eraan voorafging.
Nemen we een ruimere periode, dan kan zowel op continuïteit als op grote verschillen worden gewezen. Continuïteit is er, veel meer dan vaak wordt gedacht, in een voortdurend streven naar beheersing van met de arbeid verbonden risico’s, zoals de gevolgen van arbeidsongeschiktheid of van eenzijdige beëindiging van de arbeidsverhouding. Het besef van die continuïteit lijkt verloren te zijn gegaan: wie tegenwoordig een arbeidsrechtelijk handboek openslaat, krijgt soms de indruk dat er vóor de Industriële Revolutie helemaal geen loonarbeid zou zijn geweest. Toch bestaan loonarbeid én kluswerk én publieke regels daaromtrent in West-Europa al tenminste sinds de 12e eeuw (van vóór die tijd zijn er nu eenmaal nauwelijks schriftelijke bronnen) en was al in de 14e eeuw, althans in Engeland en Vlaanderen, de meerderheid van de arbeid loonarbeid.2 Maar er zijn in de loop van de tijd ook aanzienlijke verschillen te constateren, in de wijze van produceren natuurlijk, maar vooral ook in de institutionele, normatieve kaders waarbinnen die arbeidsverhoudingen tot stand kwamen en in de wijze waarop arbeidsverhoudingen werden ‘beleefd’.
Die normatieve kaders hebben een groot praktisch belang: zodra arbeidsverhoudingen maar een beetje bestendigheid hebben, genereren ze normativiteit. Dat speelt al op de korte termijn: als ik als boer iemand tewerkstel om mijn graan te oogsten, wil ik niet dat hij na een half uur weer wegloopt, dus zal hij zich op de een of andere manier aan het voltooien van de klus moeten committeren en moet het voldoende duidelijk zijn wat de consequenties zullen zijn als hij toch zou weglopen. En omgekeerd wil de oogsthulp weten wat de consequenties horen te zijn als de boer hem al na een half uur zou wegsturen.
Overal waar (samen)gewerkt wordt, zijn coördinatie- en verdelingskwesties aan de orde van de dag: wie krijgt welke taken, wie krijgt welke zeggenschap over welk aspect van het produceren en over het product daarvan, wie draagt welk risico van een gebrek aan grondstoffen, kapotte apparaten of arbeidsongeschiktheid van de werker, wat is het tijdsperspectief van de samenwerking en wat behoren de gevolgen te zijn als een opdrachtgever of werker voortijdig afhaakt? Daarom gaat werk, zodra het iets meer dan vluchtig is, altijd gepaard met het normatief structureren van verhoudingen: vanuit een streven naar stabilisering van condities in de tijd (een toewijzing van taken en verantwoordelijkheden, een commitment voor vanmiddag, morgen, komende week, enz.) en naar legitimering van de condities van het samenwerken (wie heeft waarom zeggenschap over het werk, hoe worden risico’s die voortvloeien uit ongelijke posities gecompenseerd?).
Transacties over werk of op de markt vergen steeds een basis van gemeenschappelijkheid die regels en institutionele arrangementen omvat (de gelijkheid van burgerschap, de openbaarheid van de markt) en waar technologie bij hoort: apparaten zoals geijkte weegschalen, marktklokken, prikklokken of websites, maar ook juridische conventies zoals de handslag of het contract bij een transactie op de markt, de ‘Godspenning’ bij het aangaan van een dienstverband of het afvinken van een vakje op een website. De vormgeving is variabel en hangt samen met een complex van factoren die ik niet alle kan belichten. Net zoals apparaten eerst moeten worden uitgevonden en ontwikkeld voordat ze hun rol kunnen spelen in sociale praktijken, zo ook is de beschikbaarheid van normatieve (juridische) modellen, die creatief kunnen worden gemobiliseerd om (arbeids)verhoudingen te structureren, een belangrijke factor in dit geheel.