Einde inhoudsopgave
Beschadigd vertrouwen 2021/8.6.3.1
8.6.3.1 Onderbouwing beleidskeuzes
G.M. Kuipers MSc, datum 01-09-2021
- Datum
01-09-2021
- Auteur
G.M. Kuipers MSc
- JCDI
JCDI:ADS480688:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Audit CVW 2017, p. 10.
Klachten Jaarrapportage 2016, p. 16.
Klachten Jaarrapportage 2016, p. 15.
Maatschappelijke Effecten Inventarisatie 2016, p. 21.
Evaluatie Commissie Bijzondere Situaties 2015; Klachten Jaarrapportage 2015, p. 15; Klachten Jaarrapportage 2016, p. 22.
Eindrapportage 2018, p. 3.
Heldere spelregels voor Koopinstrument? 2017.
Klachten Jaarrapportage 2017, p. 33.
TCMG 10 juni 2019.
NCG 30 mei 2018, p. 3.
Veiligheid voorop en de bewoner centraal 2018, p. 5.
Voortgang van de versterkingsopgave 2019, p. 23.
Voortgang van de versterkingsopgave 2019, p. 32.
Bestuursakkoord 2014.
Notitie Leefbaarheidsprogramma NCG 2016.
Tussenevaluatie 2019, p. 12.
Programmakader 2019.
Programmakader 2019, p. 41.
Van Dalen, Dagblad van het Noorden 24 juni 2018; De Boer, RTV Noord 26 juni 2018.
Miskovic & Bakker, RTV Noord 5 juli 2018; Belastingdienst 2020; IMG Vergoeding materiële gevolgschade 2021.
‘’Zorg voor duidelijke belastingregels schadevergoedingen bevingsgebied’’, RTV Noord 26 februari 2018.
Over de vergoeding van fysieke schades was relatief veel onduidelijk. NAM heeft weinig onderbouwd waarom zij bepaalde schades wel of niet vergoedde; zij stelde zich te houden aan de aansprakelijkheidsnormen van het BW. Hoewel hun schadeprotocol openbaar was, was het Handboek dat door experts gebruikt werd om de schade vast te stellen, dat echter niet.1 De Onafhankelijke Raadsman merkte op dat communicatie richting gedupeerden tekortschoot en niet duidelijk was waarom schade (niet) werd vergoed. Hij constateerde een toenemend aantal ‘inconsistenties’:2 ‘verschil tussen de afzonderlijke schadebeoordelingen in één straat of buurt. …. In een rijtje woningen wordt dan bijvoorbeeld op nummer 1 € 5000 aard- bevingsschade vastgesteld, op nummer 2 € 1000 en op nummer 3 niets. Dergelijke verschillen zijn veelal nauwelijks uit te leggen aan burgers.’3 Gedupeerden begrepen evenmin dat schadevergoeding voor fysieke schade en waardedaling alleen vergoed werd binnen een beperkt aantal gemeenten, terwijl in andere gemeenten ook aardbevingen werden gevoeld.4 Met name de vergoedingen van fysieke schade via NAM rond C-schade en het ‘buitengebied’ leverden veel ontevredenheid op (zie par. 8.6.1.4). Ook andere instanties bleken niet per se goed in onderbouwing. De Commissie Bijzondere Situaties kende alleen algemene criteria, waardoor gedupeerden soms niet begrepen waarom zij niet in aanmerking kwamen voor een vergoeding.5 De Arbiters Bodembeweging moesten werken met drie verschillende reglementen, afhankelijk van het moment van schademelding, waardoor aanvankelijk alleen voor de meest recente groep – die onder het ‘schaderegime’ van de TCMG viel – ook een vergoeding van bijkomende kosten werd toegekend. Na kritiek op deze aanpak verzocht NAM de Arbiters deze vergoeding voor alle nog openstaande zaken toe te passen.6 De Nationale ombudsman oordeelde dat (toepassing van) criteria van het Koopinstrument onduidelijk waren7 en ook de Onafhankelijke Raadsman ontving klachten van mensen die niet begrepen waarom hun schademeldingen werden afgewezen.8 De TCMG/het IMG zette in op een meer begrijpelijke handelswijze en communiceerde via een website met reactiemogelijkheid, sociale media, en eigen nieuwsbrieven. Bij de bekendmaking van haar definitieve werkwijze gaf zij aan een algemene beslistermijn van maximaal vijftien maanden te hanteren in plaats van losse termijnen per procesonderdeel uit de voorlopige werkwijze, omdat dit voor ‘verwarring’ zorgde bij gedupeerden.9
De NCG koos bij haar regievoering over de versterking aanvankelijk voor een gebiedsgericht model, zodat in overleg met gemeenten en bewoners kon worden gekomen tot een plan waarin versterking en leefbaarheid werden verbonden. De gebiedsgerichte aanpak verliep echter niet voortvarend, en burgers moesten veelal maandenlang wachten op een formeel versterkingsadvies en vervolgens op versterkingsmaatregelen. De situatie kwam op scherp te staan toen de versterking vanwege de vermindering van de gaswinning werd gepauzeerd. NCG Alders stapte op omdat hij merkte dat bewoners ‘weten dat hun huis niet aan de veiligheidsnorm voldoet en verwachten nu dat de ‘overheid’ – in dit geval de gezamenlijke opdrachtgevers van de NCG – daarop een passend antwoord geeft.’10 Hij kon niet rechtvaardigen waarom tegen gerechtvaardigd gewekt vertrouwen in werd gegaan. Uiteindelijk besloot de overheid toezeggingen na te komen, deels door hier zelf (in aanvulling op het verhalen op NAM) aan bij te dragen. In de nieuwe risicogerichte aanpak van de versterking stonden ‘veiligheid, navolgbaarheid en uitlegbaarheid … bovenaan bij de versterkingsopgave’.11 In de lokale plannen van aanpak namen gemeentes met toestemming van de NCG een aantal ‘grijze panden’ op (gebouwen die een normaal risicoprofiel hadden maar werden omringd door panden die binnen het versterkingsprogramma vielen) omwille van de ‘uitlegbaarheid’.12 Volgens Staatstoezicht was echter onvoldoende sprake van uitleg en toelichting binnen de nieuwe aanpak van de NCG. Voor bewoners was onnavolgbaar waar berekeningen op gebaseerd waren en ‘[d]oor de moeizame communicatie is het burgers vaak niet duidelijk dat de risicoberekeningen het startpunt zijn en dat er vervolgens met gezond verstand gehandeld wordt.’13
De leefbaarheidsmaatregelen tot 2019 werden uiteengezet in het bestuursakkoord14 en vervolgens uitgewerkt in het Meerjarenprogramma van de NCG en beleidsnotities,15 maar de verschillende projecten werden vrij autonoom opgezet waardoor samenhang en uitleg van een bredere strategie richting Groningers ontbrak.16 In de opzet van het Nationaal Programma Groningen kwam meer aandacht voor onderbouwing van plannen. Voordat thematische en lokale (uitvoerings-)programma’s werden opgesteld, publiceerden bestuurders en de programmaorganisatie handvatten en spelregels.17 Binnen het project Toukomst konden Groningers de gewenste leefbaarheidsmaatregelen helpen vormgeven en onderbouwen.18
Het geheel van schadeafhandeling in Groningen bleef overigens bijzonder ingewikkeld doordat zo veel verschillende instanties en regelingen functioneerden (zie ook par. 8.5.3.3). Het proces getuigde niet van een burgergerichte opzet. Als een gedupeerde bij NAM, CVW of TCMG/IMG een schadevergoeding had verkregen, werd deze door de Belastingdienst als inkomen gerekend, waardoor sommigen in problemen kwamen met hun toeslagenaanvraag.19 De minister gaf aan dat gederfde toeslagen wederom als (gevolg-)schade konden worden geclaimd en dit adverteerden de Belastingdienst en het IMG op hun websites,20 maar dit is niet bepaald aan te duiden als een overzichtelijk systeem. De overheid zou coulanter en duidelijker optreden indien zij specifieke belastingregels voor dergelijke gevallen zou vaststellen.21