Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/2.3.4.2
2.3.4.2 Aanpassingswet Boek 2 BW (1992)
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180230:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
C.M. Harmsen, ‘Artikel 2:10 BW: een vreemde eend in de “10 jaar NBW”-bijt!’, in: S.C.J.J. Kortmann e.a., Onderneming en 10 jaar nieuw Burgerlijk Recht, Serie Onderneming en Recht, deel 24, Deventer: Kluwer 2002, p. 77.
Besluit van 20 februari 1990 tot inwerkingtreding van de Boeken 3, 5 en 6 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten, Stb. 1990, 90.
Bij deze wetswijziging is de rechtspersoon mannelijk aangeduid. Zie ook Asser/ Van der Grinten 2-II 1991/45.
Kamerstukken 17 725, Tweede Kamer, vergaderjaar 1982-1983, nr. 3 (MvT), p. 57. Zie ook J.M.M. Maeijer en J.A.W. Schreurs, Parlementaire geschiedenis rechtspersonen- en vennootschapsrecht in verband met de invoering van de boeken 3, 5 en 6 NBW op 1 januari 1992, Alphen aan den Rijn: Samsom H.D. Tjeenk Willink 1991, p. 54 (“Artikel 10 komt overeen met het huidige artikel 14”).
Kamerstukken 17 725, Tweede Kamer, vergaderjaar 1982-1983, nr. 3 (MvT), p. 57. Zie ook J.M.M. Maeijer en J.A.W. Schreurs, Parlementaire geschiedenis rechtspersonen- en vennootschapsrecht in verband met de invoering van de boeken 3, 5 en 6 NBW op 1 januari 1992, Alphen aan den Rijn: Samsom H.D. Tjeenk Willink 1991, p. 54.
Kamerstukken 17 725, Tweede Kamer, vergaderjaar 1983-1984, nr. 6 (VV), p. 13. Zie ook: J.M.M. Maeijer en J.A.W. Schreurs, Parlementaire geschiedenis rechtspersonen- en vennootschapsrecht in verband met de invoering van de boeken 3, 5 en 6 NBW op 1 januari 1992, Alphen aan den Rijn: Samsom H.D. Tjeenk Willink 1991, p. 54.
Kamerstukken 17 725 Tweede Kamer, vergaderjaar 1984-1985, nr. 7 (MvA), p. 15. Zie ook: J.M.M. Maeijer en J.A.W. Schreurs, Parlementaire geschiedenis rechtspersonen- en vennootschapsrecht in verband met de invoering van de boeken 3, 5 en 6 NBW op 1 januari 1992, Alphen aan den Rijn: Samsom H.D. Tjeenk Willink 1991, p. 55.
Per 1 januari 1992 werd ter gelegenheid van de invoering van het Nieuw Burgerlijk Wetboek een aantal aanpassingen in Boek 2 BW doorgevoerd, zo ook ter zake van de boekhoudverplichting van artikel 2:14 (oud) BW.1
Na de verplaatsing en met inachtneming van de redactionele wijzigingen luidde artikel 2:10 lid 1 BW met ingang van 1 januari 1992 als volgt:2
“Het bestuur is verplicht tot het houden van zodanige aantekeningen omtrent de vermogenstoestand van de rechtspersoon, dat daaruit te allen tijde zijn3 rechten en verplichtingen kunnen worden gekend.”
Voor de boekhoudverplichting betekende dit dat het eerste lid van dit artikel redactioneel werd gewijzigd maar een inhoudelijke verandering werd niet beoogd.4 De reden voor de verplaatsing van de boekhoudverplichting naar artikel 2:10 BW had een wetssystematische achtergrond, namelijk dat de boekhoudverplichting beter aansloot op artikel 2:9 (nieuw) BW, waarin ook een verplichting aan het bestuur van de rechtspersoon werd opgelegd.5
Inhoudelijk is de aanpassing per 1 januari 1992 niet bepaald interessant. Echter, uit het Voorlopig Verslag blijkt dat een opmerking is gemaakt door de vaste Commissie van Justitie ten aanzien van de inhoud van de verplichting van artikel 2:10 BW.6 De commissie wilde graag van de minister nadere specificaties ontvangen van de minimumvereisten die aan de door het bestuur te houden aantekeningen omtrent de vermogenstoestand van de rechtspersoon moesten worden gesteld. De commissie wilde van de minister duidelijkheid over deze minimumvereisten, zodat het voor het bestuur van de rechtspersoon duidelijk zou zijn wanneer het aan de verplichtingen uit hoofde van artikel 2:10 lid 1 BW zou hebben voldaan. Dit mede in het licht van de op het bestuur rustende verplichting deze gegevens te bewaren en open dan wel over te leggen, indien noodzakelijk.
De minister vond dit niet nodig.7 Daartoe betoogde hij dat de moderne techniek allerlei nieuwe vormen van aantekeningen omtrent de vermogenstoestand mogelijk maakt en dat de tekst van artikel 2:10 BW dat ook niet uitsluit. De minister vervolgt zijn betoog dat het minimumvereiste is dat te allen tijde – bijvoorbeeld door een uitdraai van mechanisch opgeslagen gegevens – de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend en dat moderne technieken dit eerder zullen vergemakkelijken dan bemoeilijken. Tot zover kan ik het betoog van de minister volgen. De minister komt vervolgens tot de conclusie: “ik meen dan ook dat aan nadere regels op dit gebied geen behoefte bestaat; bij een snelle technologische ontwikkeling zouden deze licht reeds op korte termijn kunnen worden achterhaald”. Deze conclusie volgt naar mijn mening niet noodzakelijkerwijs uit het betoog. Er wordt niet toegelicht waarom er geen behoefte zou bestaan aan specifieke minimumvereisten wanneer moderne technieken het makkelijker maken om te voldoen aan het wettelijke vereiste van te allen tijde de rechten en verplichtingen te kunnen kennen. Het enkele feit dat de technologische mogelijkheden beter worden, laat onverlet dat behoefte kan bestaan aan duidelijkheid over de vraag welke gegevens tot de administratie behoren en daarom moeten worden bewaard, ongeacht de gebruikte technologische methode.