Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/IX.3.5
IX.3.5 De ‘Chipshol-protestplicht’ en rechtsverwerking
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178932:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 29 november 1996, NJ 1997/345, m.nt. Maeijer (Landinvest/Chipshol), rov. 3.8.
Zo ook Maeijer in zijn NJ-noot, Winter 1997, p. 85 en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/73 onder c.
Zou de klacht geheel kansloos zijn, dan zou de cassatieklacht immers falen bij gemis aan belang. Zie Asser Procesrecht/Korthals & Groen 7 2015/48.
Gedeeltelijke rechtsverwerking lijkt mij mogelijk; zie in deze zin Tjittes 2013/ 26, die terecht wijst op HR 3 mei 1963, NJ 1964/486 (Oxyde Maatschappij voor ertsen en metalen/Internationale Grondstoffen Onderneming).
Vgl. Tjittes 2013/10. Zie § VI.5.
Laatstelijk HR 11 november 2016, JOR 2017/2, m.nt. Spruitenburg (Cordial), rov. 4.2.
Rb. Amsterdam 21 juni 2017, RO 2017/68 (Historische Auto Ren Club).
Tjittes 2013/18, Schelhaas 2017/7.52.1 en GS Verbintenissenrecht/Valk 2019, art. 6:2 BW, aant. 4.3.1, en de daar vermelde vaste rechtspraak. Vgl. ook Asser/Sieburgh 6-III 2018/429, die terecht opmerkt dat geen absoluut nadeelvereiste geldt.
Vgl. Tjittes 2013/19 en GS Verbintenissenrecht/Valk 2019, art. 6:2 BW, aant. 4.4.1.3, ook over soortgelijke ‘uitgelezen spreekmomenten’.
De formele rechtskracht mag dan weinig aanlokkelijk zijn, wellicht kan het leerstuk van rechtsverwerking eenzelfde functie vervullen. In het Landinvest/Chipshol-arrest overweegt de Hoge Raad namelijk dat
‘(…) van een aandeelhouder die zich op grond van onrechtmatige daad tegen een volgens wet en statuten rechtsgeldig tot stand gekomen benoemingsbesluit van de algemene vergadering van aandeelhouders wil verzetten, mag worden verwacht dat hij zijn bezwaren daartegen en zijn voornemen tot het daarop te gronden verzet onverwijld duidelijk maakt.’1
Wie wil ageren tegen een hem onwelgevallig besluit moet dus onverwijld zijn bezwaren tegen dat besluit kenbaar hebben gemaakt. Wie zwijgt wanneer hij moest spreken, verliest zijn recht om te klagen. Onverwijld betekent, zo zeg ik annotator Maeijer na, op de vergadering zelf of kort na kennisname van het besluit. Hoewel de woorden van de Hoge Raad zich daartoe niet uitstrekken, komt de overweging mijns inziens ook betekenis toe voor andere organen en andere besluiten.2
Toch moet het gewicht ervan niet worden overdreven. In de desbetreffende zaak speelden nog andere omstandigheden een rol. Het betrof een besluit tot benoeming van een gedelegeerd commissaris. Aandeelhouder Chipshol, die later tegen de benoeming in het geweer zou komen, had niet alleen gezwegen na de oproeping voor de vergadering te hebben ontvangen, maar had evenmin protest aangetekend op of na de vergadering. Chipshol had zelfs correspondentie gevoerd met de benoemde als ware hij commissaris. Aan de andere kant kan uit het arrest niet een op een worden afgeleid dat de Hoge Raad deze omstandigheden voldoende acht voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking. Het hof was namelijk aan dat beroep ten onrechte voorbijgegaan. Uit de gegrondverklaring van de daartegen gerichte cassatieklacht volgt niet dat de Hoge Raad het beroep op rechtsverwerking gegrond acht, maar slechts dat hij dat beroep in deze zaak niet geheel kansloos acht (zodat het hof na verwijzing er nog op moet beslissen).3 Ten slotte vorderde Chipshol een verbod om uitvoering te geven aan een besluit, iets waaraan de woorden van de Hoge Raad refereren (zich ‘verzetten’ tegen een ‘rechtsgeldig totstandgekomen’ besluit). Zo’n ingrijpende rechtsvordering valt allicht eerder aan rechtsverwerking ten prooi dan een rechtsvordering die bijvoorbeeld strekt tot schadevergoeding.4 Overigens mag verwerking van het recht om vernietiging van een besluit te vorderen nog minder snel worden aangenomen, omdat art. 2:15 lid 5 BW die rechtsvordering toch al aan een korte vervaltermijn bindt.5
Hoe dan ook zet de ‘Chipshol-protestplicht’ niet opzij dat enkel tijdsverloop naar vaste rechtspraak geen rechtsverwerking oplevert.6 Onlangs gaf de Rechtbank Amsterdam het verkeerde voorbeeld. De rechtbank overwoog dat een gewezen bestuurder van een vereniging het recht had verspeeld uit onrechtmatige daad op te komen tegen twee besluiten: het besluit (in maart 2012) om hem te ontslaan en het besluit (in maart 2013) om hem als lid te royeren. De betrokkene had eerst enkele jaren later, in februari 2016, tegen beide besluiten bezwaar aangetekend. Betrokkene had bovendien, zo oordeelde de rechtbank, geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid zich te doen horen en evenmin binnen de vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 BW de vernietiging van de besluiten gevorderd. Al met al zou betrokkene de klachtplicht van art. 6:89 BW hebben veronachtzaamd.7 Nog daargelaten dat die klachtplicht in situaties als deze niet geldt,8 kan enkel tijdsverloop niet tot verval van recht leiden, zelfs niet als de betrokkene in kwestie de mogelijkheid om te klagen heeft laten passeren. In dit geval kende de rechtbank bovendien – ik zou menen ten onrechte – geen betekenis toe aan de omstandigheid dat de gewezen bestuurder de uitkomst van een procedure tussen de vereniging en zijn persoonlijke vennootschap had willen afwachten.
Nu rechtsverwerking een uitvloeisel is van de beperkende redelijkheid en billijkheid (van art. 6:2 BW),9 zijn naast het niet-protesteren bijkomende, bijzondere omstandigheden vereist. Bovendien moet het achterwege laten van protest ofwel grond gegeven hebben voor het gerechtvaardigd vertrouwen dat niet tegen het besluit zou worden geageerd ofwel onredelijke benadeling tot gevolg hebben gehad.10 Mijns inziens is het voorbij laten gaan van een ‘uitgelezen spreekmoment’ op zichzelf nog niet voldoende. Wel valt aan te nemen dat de eisen voor rechtsverwerking als het gaat om protesteren tegen een besluit lager liggen dan in een typische verbintenisrechtelijke casus. De Chipshol-protestplicht kleurt namelijk de redelijkheid en billijkheid in; wie lid is van een orgaan heeft de plicht (de ‘Obliegenheit’) om te spreken wanneer een hem onwelgevallig besluit wordt genomen.11 Alles tezamen laat zich los van een concrete casus moeilijk zeggen wanneer rechtsverwerking zich voordoet. In ieder geval moet er naast het zwijgen op of na de vergadering tevens een bijkomende omstandigheid zijn, die uit méér bestaat dan het stilzitten. Zoals in de Chipshol-zaak, waar het gegeven dat met de commissaris is gecorrespondeerd als ware hij commissaris in de richting van rechtsverwerking kan wijzen. Voor rechtsverwerking is dus maar een bescheiden rol weggelegd.