Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/5.3.2
5.3.2 Kwalificatie van de overtuiging en praxis als godsdienst op grond van ‘openbare bronnen’
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS457615:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Haar & Douma, TvRRB 2016-1, p. 25.
ABRvS 24 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0955, r.o. 2.
ABRvS 24 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0955, r.o. 2.2.
ABRvS 23 juli 2012, nr. 201201 598/1/V4, r.o. 2.5.
Een tamelijk recente manier van asielzoekers om hun (christelijke) geloofsovertuiging te ‘bewijzen’ schijnt het hebben van tatoeages te zijn, bijvoorbeeld van het crucifix.
ABRvS 23 juli 2012, nr. 201201 598/1/V4.
ABRvS 23 juli 2012, nr. 201201 598/1/V4, r.o. 2.5.
ABRvS 24 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0955.
ABRvS 24 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0955, r.o. 6.
Rb. ’s-Gravenhage 11 augustus 2011, nr. 10/43525.
ABRvS 24 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0955, r.o. 3.4.
ABRvS 23 september 2003, nr. 200302654/1, r.o. 2.3.
Zie bijvoorbeeld: Rb. Arnhem 26 april 2007, ECLI:NL:RGARN:2007:BA8012; Rb. Haarlem 7 december 2007, AWB 07/40039; Rb. Zwolle 9 oktober 2009, AWB 09/30516; Rb. Almelo 2 september 2010, AWB 09/5811.
ABRvS 24 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0955, r.o. 3.3.
Van Halder 2010, p. 477.
Musalo, International Journal of Refugee Law 2004, p. 225.
Zie het hiervoor besproken voorbeeld van de Iraanse christen: ABRvS 24 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0955.
Rb. Zwolle 20 maart 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW4235.
Indien een asielzoeker zich bij de aanvraag voor een verblijfsvergunning beroept op het feit dat hij of zij wordt vervolgd vanwege zijn godsdienst, dan moet het bestuursorgaan aan wie de aanvraag is gericht onderzoeken of de overtuiging en praxis van de asielzoeker inderdaad kunnen worden gekwalificeerd als zijn godsdienst. In deze subparagraaf bespreek ik de wijze waarop een vreemdeling in het asielrecht dient aan te tonen dat hij een specifieke geloofsovertuiging heeft. Het bestaan hiervan wordt op dezelfde manier als de overige feiten en omstandigheden die in het asielrelaas naar voren komen getoetst op zijn geloofwaardigheid. Tot 20 juli 2015 was het vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat de beoordeling van de feiten en omstandigheden in het asielrelaas behoort tot de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris.
De rechter toetste slechts of de staatssecretaris in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen (marginale toetsing). De rechter beoordeelde daarbij of de staatssecretaris zorgvuldig onderzoek had gedaan naar de gestelde geloofsovertuiging. Vanaf 20 juli 2015 is Richtlijn 2013/32/EU betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (Procedurerichtlijn) geïmplementeerd. Deze richtlijn schrijft een volledig en ex nunc onderzoek voor. Dit betekent dat de rechter alle relevante omstandigheden bij zijn beoordeling moet betrekken, ook omstandigheden die pas zijn gaan spelen nadat het bestuursorgaan een beslissing heeft genomen. Hierdoor kan een vreemdeling bij de bestuursrechter aanvullende argumenten naar voren brengen, waarover de rechter zich moet uitlaten. De rechtspraak over de intensiteit van de rechterlijke toets hierover is nog in ontwikkeling.1
Over de bewijslast bepaalt artikel 31 Vw 2000 dat de vreemdeling de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag liggende feiten en omstandigheden tegenover de minister (voor hem de staatssecretaris) aannemelijk moet maken. Artikel 3.35 VV 2000 nuanceert artikel 31 Vw 2000 enigszins door te stellen dat in beginsel de verklaringen van de vreemdeling en de daaraan ten grondslag liggende omstandigheden geloofwaardig worden geacht wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan, zoals een samenhangend verhaal, oprechte inspanning om zijn aanvraag te staven, spoedig ingediende aanvraag.2 Aangaande de beoordeling van de geloofwaardigheid van een geloofsovertuiging stelt de ABRvS in het bijzonder:
‘Omdat het niet in de rede ligt dat de staatssecretaris zonder meer uitgaat van de door een vreemdeling gestelde geloofsovertuiging, maar het leveren van het bewijs door een vreemdeling gestelde geloofsovertuiging veelal niet mogelijk is, kan de staatssecretaris in het algemeen slechts aan de hand van door de vreemdeling afgelegde verklaringen over de gestelde geloofsovertuiging beoordelen of hij geloofwaardig acht dat een vreemdeling daadwerkelijk de gestelde geloofsovertuiging heeft.’3
Hieruit kunnen we opmaken dat de ABRvS stelt dat de staatssecretaris niet zonder meer ervan uit kan gaan dat er daadwerkelijk sprake is van een geloofsovertuiging. De staatssecretaris zal dit moeten toetsen aan de hand van de door de vreemdeling afgelegde verklaringen. De staatssecretaris beoordeelt de feiten en omstandigheden waarmee de vreemdeling zijn geloofsovertuiging wil aantonen, op grond van ‘openbare bronnen’.4 Wanneer de feiten en omstandigheden5 die de vreemdeling aan zijn asielrelaas ten grondslag heeft gelegd overeenkomen met de informatie uit deze openbare bronnen, dan kan de overtuiging van de vreemdeling als geloofsovertuiging worden gekwalificeerd, in de zin dat er dan sprake is van een overtuiging die valt onder de wettelijke vervolgingsgrond godsdienst. De informatie uit deze openbare bronnen betreft onder andere informatie over de inhoudelijke betekenis en praxis van de betreffende geloofsleer. Indien de verklaringen van de vreemdeling niet zijn te rijmen met algemene kennis over de leer en praxis van de betreffende geloofsleer kan dit ertoe leiden dat de staatssecretaris de aangevoerde geloofsovertuiging niet als godsdienst kwalificeert. In het onderstaande bespreek ik hiervan twee voorbeelden:
In een zaak met betrekking tot de bekering van een vreemdeling tot Jehova’s getuige6 beoordeelde de ABRvS het asielrelaas als ongeloofwaardig omdat de vreemdeling als aspirant-dooplid onvoldoende op de hoogte was van de inhoud van deze leer. Zo wist de vreemdeling niet dat
‘de gebouwen waarin de Jehova’s getuigen hun bijeenkomsten houden geen kerken worden genoemd, maar “Koninkrijkszalen” of “Kingdom Halls”, en ook niet dat “Jehova’s getuigen binnen hun leer de drie-eenheid pertinent afwijzen”’.
Bovendien kon de vreemdeling geen duidelijke verklaringen afleggen over het leven na de dood volgens de leer van de Jehova’s getuigen. Aangezien uit ‘openbare bronnen’ blijkt dat aspirant-doopleden worden geacht de leer van de Jehova’s getuigen in grote lijnen te kennen zou de vreemdeling volgens de minister deze vragen moeten kunnen beantwoorden.7
De uitspraak van 24 mei 2013 van de ABRvS is een ander fraai voorbeeld van het gebruik van kennis over de geloofsleer van een godsdienst (in dit geval het christendom).8 Het ging in deze zaak om een vreemdeling die vreesde voor vervolging bij terugkeer naar Iran aangezien hij – daar – was gedoopt en bekeerd tot het christendom. De staatssecretaris was op grond van de afgelegde verklaringen van de vreemdeling tot de conclusie gekomen dat zijn geloofsovertuiging ongeloofwaardig was. Hij kon onvoldoende antwoord geven op vragen zoals ‘wat is de betekenis van Pasen en Pinksteren’ en ‘wat is de naam van de kerk waar u gedoopt bent’?9 In zijn grief tegen de uitspraak van de rechtbank10 maakte de staatssecretaris kenbaar dat hij om de geloofwaardigheid van een geloofsovertuiging te toetsen gebruik maakt van een vragenlijst die tot stand is gekomen in overleg met onder meer kerkelijke instanties en met een organisatie die de belangen behartigt van christelijke asielzoekers. Hierin staan vragen over de motieven voor en het proces van bekering, waaronder de betekenis en praktische uitvoering van een eventuele doop en doopplechtigheid, en over de persoonlijke betekenis van de bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling. Daarnaast staan er vragen in die betrekking hebben op algemene, basale kennis van de geloofsleer en geloofspraktijk. Bijvoorbeeld over de betekenis van Pasen en Pinksteren en wanneer de kerkgang onderdeel is van de geloofsovertuiging van de vreemdeling, over de naam van de kerk, het tijdstip van de eredienst of de mis, en de liturgie. Ten slotte wordt bij de beoordeling van de antwoorden op voornoemde vragen betrokken hoe de vreemdeling in Nederland zijn geloof in woord en daad beleeft.11 De ABRvS gaat mee in de redenering van de Immigratie en naturalisatiedienst (IND) dat van iemand die zich bekeert tot een bepaalde religie, bijvoorbeeld het christendom, op zijn minst mag worden verwacht dat hij weet wie hem heeft gedoopt en in welke kerk. Tot slot overweegt ze dat ook de betekenis van Pasen voor een christen niet onbekend kan zijn.
De vraag is of dit standpunt van de ABRvS in overeenstemming is met haar eerdere uitspraak van 2004. Daarin omarmde zij namelijk het hierboven genoemde uitgangspunt dat er geen directe correlatie bestaat tussen feitenkennis van de geloofsleer en geloofsbeleving. Ten aanzien van zeer feitelijke vragen van de IND over de geloofsleer naar aanleiding van een bekering tot het rooms-katholicisme overwoog de ABRvS dat de aannemelijkheid van iemands bekering niet overwegend mag afhangen van
‘… de beoordeling van de mate van juistheid waarmee de appellant de hem gestelde zeer feitelijke vragen heeft beantwoord, nu zulks op zichzelf geen uitsluitsel biedt over de geloofsbeleving van appellant en appellant er geen blijk van heeft gegeven in het geheel niet over kennis van het christelijke geloof te beschikken.’12
Met deze uitspraak heeft de ABRvS een lijn getrokken die terugkomt in meerdere uitspraken.13 In haar uitspraak van 24 mei 2013 stelt de ABRvS echter dat vragen zoals die naar de naam van de kerk en naar de naam van de priester die de doop heeft voltrokken, geen louter feitelijke vragen zijn over de geloofsleer, maar ook betrekking hebben op het proces van bekering. Ze zouden niet losstaan van de geloofsbeleving of innerlijke geloofsovertuiging van de vreemdeling. Ook de vraag naar de betekenis van Pasen is in de zienswijze van de ABRvS geen louter feitelijke vraag over de geloofsleer, maar ook een vraag naar de geloofsbeleving omdat Pasen binnen het christendom wordt beschouwd als één van de hoogtijdagen.14
De ABRvS meent dat zij met deze vragen niet blijft hangen in het toetsen van de leer van een bepaalde religie en daarmee voorbij gaat aan de wezenlijke vraag of iemand daadwerkelijk een innerlijke geloofsovertuiging heeft. Daarmee geeft de ABRvS blijk van de opvatting dat het bestaan van een innerlijke geloofsovertuiging aan het licht kan worden gebracht door te informeren naar verifieerbare feiten die met deze overtuiging samenhangen. Het gevaar ligt dan echter nog steeds op de loer dat de vorm (het verstrekken van juiste feiten) belangrijker wordt dan de inhoud (het hebben van de innerlijke overtuiging). Wanneer men zich de naam van de kerk en priester niet meer weet te herinneren betekent dit immers niet dat men geen innerlijke geloofsovertuiging heeft. Aan de andere kant is het bijna niet denkbaar dat iemand die serieus een bepaalde (traditionele) geloofsovertuiging heeft aangenomen zich geen enkel uiterlijk detail kan herinneren van dit proces van innerlijke bekering. Alleen in het zeldzame geval dat het een zuiver subjectieve geloofsinhoud betreft (d.w.z. een zuiver geestelijke) is het voor te stellen dat een vreemdeling niet in staat is om hierover verifieerbare informatie te verschaffen.
Van Halder betoogt dat men zich bij het toetsen van de oprechtheid van een geloofsovertuiging moet richten op motivatie- en contextvragen. Dit zijn vragen naar religieuze ervaringen, het proces van bekering, de wijze van verering en de plaats waar dit gebeurt, de waarde van religie voor de vreemdeling, de algemene principes van de betreffende religie.15 Er valt veel voor te zeggen dat de IND de facto een dergelijke benadering hanteert. De vragen die de IND stelt in de hiervoor besproken uitspraken kunnen worden omschreven als motivatie- en contextvragen. Het stellen van vragen over de naam van de kerk en de priester zijn voorbeelden van vragen over de wijze van verering en de plaats waar dit gebeurt. Ook stelt de IND vragen over de algemene principes van een godsdienst, zoals de vraag naar de betekenis van Pasen of de vraag naar de betekenis van de drie-eenheid binnen de religieuze stroming van de Jehova’s getuigen.
Musalo benadrukt het belang van experts voor het verschaffen van betrouwbare informatie over de betreffende religie.16 Ook dit belang lijkt de IND te onderkennen. De IND maakt in zijn afweging, in ieder geval met betrekking tot christenen, gebruik van dergelijke adviezen door kerkelijke instanties te raadplegen.17 Ook de rechtbank doet dit in sommige gevallen. Zo werd in een zaak voor de Rechtbank van Zwolle over een vermeende bekering van een asielzoeker grote waarde gehecht aan het deskundigenoordeel van de landelijke scriba (secretaris) van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN).18 In de literatuur en jurisprudentie is een beweging zichtbaar die erkent dat de objectivering van de oprechtheid louter op basis van feitelijke kennisvragen over de geloofsleer van een godsdienst als onvoldoende betrouwbaar wordt erkend. Om die reden tracht men deze vragen te combineren met motivatie- en contextvragen die betrekking hebben op feiten waaruit de beleving van de godsdienst door de vreemdeling blijkt. Daarnaast groeit het besef dat deskundig advies over de betekenis en beleving van godsdienst van belang is.
We zien in de jurisprudentie over de aanvraag van een asielverblijfsvergunning in het kader van vervolging op grond van godsdienst dat niet zozeer de vraag aan de orde is ‘wat telt als godsdienst’, maar meer de vraag naar de betrouwbaarheid van het relaas van de asielzoeker. In feite gaat het dus om de oprechtheid van een asielzoeker. Die wordt objectiverend tegemoet getreden. De asielzoeker moet bewijzen dat hij de betreffende godsdienst aanhangt. De vraag naar de oprechtheid van de asielzoeker wordt echter niet los gezien van de vraag naar de betekenis van godsdienst. Weliswaar gaan de bestuursorganen en de rechter ervan uit dat godsdienst niet kan worden gezien als een theoretische abstractie los van persoonlijke beleving, toch houden ze vast aan het verifiëren van bepaalde ‘feiten’ over de geloofsleer van de betreffende godsdienst (de algemene principes). We kunnen daarom stellen dat men de geloofwaardigheid van het asielrelaas op minimale wijze toetst aan de hand van een zeker objectief begrip van een specifieke godsdienst. Het idee van algemene principes veronderstelt immers een minimaal objectief kader waarbinnen de geloofsleer van een bepaalde godsdienst kan worden geplaatst. Het bestuursorgaan en de rechter komen aan deze algemene principes op basis van een algemeen gangbare uitleg van de leer en de praktijk van de betreffende geloofsovertuiging en op grond van adviezen van deskundigen (bijvoorbeeld kerkelijke instanties). Wat godsdienst is, wordt dus niet uitsluitend bepaald aan de hand van de verklaring van de vreemdeling (subjectiverende kwalificatie), maar ook op basis van algemene opvattingen (opvattingen van derden). De conclusie moet dan ook zijn dat men in de asielprocedure zowel ten aanzien van de betrouwbaarheid van het asielrelaas als ten aanzien van de kwalificatie van godsdienst een meer objectiverende kwalificatie hanteert.