Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.2
7.2 Richtlijn(historie)
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291143:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
E. Bours, Rapport inzake de toepassing van de BTW op transacties in onroerende goederen binnen de Gemeenschap, Europese Commissie: Brussel 1971, p. 135-136, 147 en 150.
Considerans van het Voorstel voor een zesde richtlijn, V-N 1973/18A, p. 719.
E. Bours, Rapport inzake de toepassing van de BTW op transacties in onroerende goederen binnen de Gemeenschap, Europese Commissie: Brussel 1971, p. 147 en 149.
Vóór de inwerkingtreding van de Zesde Richtlijn was de verhuur van onroerend goed in de toenmalige lidstaten in het algemeen om technische, economische en sociale redenen vrijgesteld van btw-heffing.1 Met het oog op een vergelijkbare heffing van de eigen middelen in alle lidstaten werd het wenselijk geacht om de vrijstellingen op gemeenschappelijke wijze vast te stellen en het aantal vrijstellingen zo beperkt mogelijk te houden om rekening te houden met het karakter van de btw als algemene verbruiksbelasting.2 Bours meende dat het vanuit het oogpunt van eenvoud en duidelijkheid beter was om de verhuur van onroerend goed in beginsel te belasten (de belastingmethode).3 De Europese Commissie heeft in art. 14, B, onderdeel d van het Voorstel voor een zesde richtlijn echter aansluiting gezocht bij de bestaande situatie in de lidstaten door de verhuur van onroerend goed in beginsel vrij te stellen (de vrijstellingsmethode). In art. 14, B, onderdeel d van het Voorstel voor een zesde richtlijn heeft zij voorgesteld om de verhuur van onroerend goed vrij te stellen met uitzondering van:
de verhuur in het kader van het hotelbedrijf of van sectoren met een gelijksoortige functie, van vakantiekampen of kampeerterreinen;
de verhuur van gebouwen welke voor industriële of commerciële doeleinden worden gebezigd, zoals de verhuur van fabrieken, magazijnen en plaatsruimte, alsmede de overeenkomsten betreffende de opslag in koelhuizen;
de verhuur van safeloketten en van parkeerplaatsen.
De voorgestelde regeling voor de verhuur van onroerend goed is door de lidstaten in gewijzigde vorm aanvaard. Uit (thans) art. 135 lid 1, onderdeel l Btw-richtlijn blijkt dat de lidstaten het uitgangspunt van de voorgestelde regeling hebben aanvaard, namelijk dat de verhuur van onroerend goed in beginsel vrijgesteld is van btw-heffing. De verplichte btw-heffing ter zake van de verhuur van gebouwen welke voor industriële of commerciële doeleinden worden gebezigd heeft het niet gehaald. De overige voorgestelde uitzonderingen op de vrijstelling voor de verhuur van onroerend goed zijn – soms in iets gewijzigde vorm – wel aanvaard. Op de richtlijnhistorie van deze uitzonderingen in art. 135 lid 2 Btw-richtlijn wordt in paragraaf 7.6 nader ingegaan.
Een belangrijke wijziging is dat lidstaten de vrijheid hebben gekregen om andere diensten dan de in (thans) art. 135 lid 2 Btw-richtlijn genoemde aan btw-heffing te onderwerpen. In de eerste plaats kunnen de lidstaten nog andere verhuurdiensten dan de vier in (thans) art. 135 lid 2 Btw-richtlijn genoemde van rechtswege belasten. Op de richtlijnhistorie van deze facultatieve uitzondering wordt in paragraaf 7.6.5.1 nader ingegaan. Daarnaast mogen lidstaten op grond van (thans) art. 137 lid 1, onderdeel d Btw-richtlijn aan belastingplichtigen het recht verlenen te kiezen voor btw-heffing ter zake van de verhuur van onroerend goed. De lidstaten mogen de omvang van dit keuzerecht op grond van (thans) art. 137 lid 2 Btw-richtlijn beperken. De richtlijnhistorie van deze uitzondering op de ‘verhuurvrijstelling’ komt in paragraaf 7.7.1 aan bod. Voormelde wijzigingen hebben tot gevolg gehad dat van een uniforme regeling voor de verhuur van onroerend goed geen sprake is. Vanuit het oogpunt van de interneutraliteit is dat een slechte zaak.