Het EVRM en het materiële omgevingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/7.4.2:7.4.2 Handhaving ter voorkoming van toekomstige aantastingen
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/7.4.2
7.4.2 Handhaving ter voorkoming van toekomstige aantastingen
Documentgegevens:
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS449958:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie EHRM 30 november 2004, Öneryildiz/Turkije, r.o. 135-136 (zaaknr. 48939/99) (verwoesting van eigendom) en EHRM 28 februari 2012, Kolyadenko e.a./Rusland, r.o. 214- 217 (zaaknr. 17423/05) (beschadiging van eigendom).
Zie paragraaf 4.2.4.3.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de rechtspraak van het ehrm blijkt dat de overheid onder omstandigheden de positieve verplichting heeft om concrete handelingen te verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen van de door artikel 1ep beschermde belangen. Het is evenwel niet duidelijk of dit bij alle soorten toekomstige aantastingen van die belangen het geval is. Bij een reëel en onmiddellijk gevaar voor de verwoesting of beschadiging van eigendom kan een positieve verplichting bestaan om concrete handelingen te verrichten ter voorkoming daarvan.1 Niet zeker is echter of die verplichting ook kan bestaan, indien slechts sprake is van een reëel en onmiddellijk gevaar voor een waardedaling of een gebruiksbelemmering als gevolg van overlast van activiteiten in de buurt.2 Uit de rechtspraak van het ehrm blijkt tot op heden alleen dat de overheid onder omstandigheden de positieve verplichting heeft om concrete handelingen te verrichten ter voorkoming van de toekomstige verwoesting of beschadiging van eigendom en deze beperking lijkt (zoals in paragraaf 4.2.4.3.2 is betoogd) gerechtvaardigd. Daarom zal ik hierna veronderstellenderwijs aannemen dat de overheid geen positieve verplichting heeft om concrete handelingen (waaronder handhavend optreden) te verrichten ter voorkoming van een toekomstige waardedaling of gebruiksbelemmering als gevolg van overlast van activiteiten in de buurt.
De vraag is vervolgens of de overheid de positieve verplichting heeft om handhavend op te treden tegen overtredingen van omgevingsgerelateerde regelgeving die (mede) is uitgevaardigd ter voorkoming van de toekomstige verwoesting of beschadiging van eigendom. Voor deze vraag geldt hetzelfde als hetgeen hiervoor in paragraaf 7.3.2 is geformuleerd ten aanzien van artikel 8evrm. Ik volsta hier dan ook met een verwijzing naar die paragraaf met dien verstande dat voor ‘artikel 8 evrm’ steeds ‘artikel 1ep’ en voor ‘de lichamelijke integriteit en/of de woning’ steeds ‘de verwoesting of beschadiging van eigendom’ gelezen moet worden.3