Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/5.4
5.4 Grondslag van de mededelingsplicht en rechtsgevolg van schending daarvan
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950369:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over voorgaande § 5.2. Zie ook § 5.3.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 205. Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/55; Hijma 2012, par. 6; Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW nr. A5) 2017/4.27 en Van Schaick 2009, p. 132. Zie anders Van Leuken, Van de Moosdijk & Tweehuysen 2017/357 onderdeel c, die uit de beperkende werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid een mededelingsplicht lijken af te leiden.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 207. De mededelingsplicht van de opschortingsbevoegde schuldenaar wordt daarom ook wel een ‘obliegenheit’ genoemd (Vermeij 2022, p. 781; Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/56 en Van Schaick 2009, p. 132 (met verwijzingen)). Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 23 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:10864, r.o. 5.5.
HR 17 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6088, NJ 2012/43, m.nt. Jac. Hijma (Van Mierlo/OGP), r.o. 3.3.3. Hijma 2012, par. 6 (b), pleit voor het principe dat de schuldenaar die een mededelingsplicht schendt jegens zijn wederpartij gehouden is het door diegene daardoor ondervonden nadeel te vergoeden.
Wolters, Alle omstandigheden van het geval (O&R nr. 77) 2013, p. 162-163; Hijma 2012, par. 5 en Vranken 1989/109 (“Zo zal ook het zonder vooraankondiging of zonder overleg inroepen van een opschortingsrecht vaak in strijd zijn met de goede trouw (redelijkheid en billijkheid).”). Zie ook HR 4 januari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0097, NJ 1991/723 (Gelling/Jessurun), r.o. 3.2 (“De vraag in hoeverre een in beginsel gerechtvaardigde opschorting in strijd met de goede trouw komt wegens het ontbreken van een mededeling omtrent de grond waarop de opschorting plaats vindt, dient te worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval.” (cursivering GJB)). Zie hierover genuanceerd Van Schaick 2009, p. 131-132.
Zie kennelijk in gelijke zin Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/55, die de mededelingsplicht niet noemt als een situatie waarin de redelijkheid en billijkheid de opschortingsbevoegdheid beperken. Zie anders Hijma 2012, par. 6, die opmerkt dat de mededelingsplicht en het niet mogen noch kunnen gebruiken van het opschortingsrecht ‘niet noodzakelijk samenvallen’.
Zie over stelplicht en bewijslast § 7.2.2.
De grondslag van de plicht van de schuldenaar tot mededeling dat hij de nakoming van zijn opeisbare verbintenis uitstelt, moet mijns inziens worden gevonden in artikel 3:37 lid 3 BW. Als de vormvrije opschortingsverklaring de wederpartij niet heeft bereikt, treden de daarmee gewilde rechtsgevolgen niet in. Voor zover de wederpartij dan nakoming zal verlangen, kan de schuldenaar alsnog een beroep doen op een opschortingsrecht en treden vanaf dat moment de rechtsgevolgen daarvan in. Het ligt niet voor de hand aan te nemen dat de wederpartij dan reeds eerst zelf een beroep op een opschortingsrecht zal hebben gedaan. Dat zou veronderstellen dat zij zich bewust is van haar nog niet nagekomen verplichting en doorgaans zal haar daardoor duidelijk moeten zijn dat haar schuldenaar de nakoming van een opeisbare verbintenis uitstelt. In dat geval zou haar de opschortingsverklaring wel hebben bereikt. Tevens is de schuldenaar gehouden de door hem gepretendeerde vordering of vorderingen op zijn wederpartij zo nodig toe te lichten, omdat het opschortingsrecht zijn grondslag vindt in de vordering die de schuldenaar op zijn wederpartij stelt te hebben en waarvan hij de stelplicht heeft en de bewijslast draagt.1
Dat de schuldenaar gehouden kan zijn tot het doen van een mededeling dat en op welke grond hij de nakoming van zijn verbintenis opschort, worden in de parlementaire geschiedenis en door de Hoge Raad afgeleid uit de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Het gaat in dit geval om de aanvullende werking van deze maatstaven (art. 6:2 lid 1 en art. 6:248 lid 1 BW).2 Schending van deze mededelingsplicht leidt tot verlies van de opschortingsbevoegdheid.3 Schending van die mededelingsplicht kan ook betekenen dat de schuldenaar geen gebruik mag maken van zijn opschortingsbevoegdheid.4 Dit rechtsgevolg wordt wel gegrond op de beperkende werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid.5 Ik betwijfel of dit rechtsgevolg daaruit voortvloeit. In het geval dat het doen van de mededeling op grond van de aanvullende werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid een materieel vereiste is voor opschortingsbevoegdheid, valt schending van de mededelingsplicht samen met opschortingsonbevoegdheid. Daarvoor is niet nodig te onderzoeken of de schending van de mededelingsplicht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.6
Hoewel de grondslag van de aangenomen mededelingsplicht een andere is, is de slotsom voor die gevallen waarin ook op grond van de werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid een mededelingsplicht wordt aangenomen, niet of nauwelijks verschillend: de schuldenaar zal de uitoefening van zijn opschortingsrecht aan zijn wederpartij kenbaar moeten maken, bij gebreke waarvan de rechtsgevolgen van die opschorting niet intreden. De grondslag kan wel van invloed zijn op de stelplicht en bewijslast, als zou worden aangenomen dat de sanctie van opschortingsonbevoegdheid voortvloeit uit de beperkende werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Niet alleen zou dat een hogere drempel opwerpen dan de drempel die een toetsing aan de vereisten voor opschortingsbevoegdheid meebrengt of de drempel van de aanvullende werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengt, het zou tevens de bewijslast van de opschortingsonbevoegdheid bij de wederpartij leggen, terwijl de schuldenaar dient te bewijzen dat hij opschortingsbevoegd is en dat de opschortingsverklaring zijn wederpartij heeft bereikt.7 Overigens pleit dit laatste ook tegen het aannemen van de beperkende werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid als grondslag voor de sanctie op het schenden van de plicht tot het mededelen dat en waarom de schuldenaar opschort.