RvdW 2020/775:Caribische zaak. Profijtontneming, voordeel uit witwassen van grote geldbedragen door grote geldbedragen verstopt in gemalen kip/kiprollade vanuit Nederland naar o.m. Aruba te transporteren. Voor zijn bijdrage ontving betrokkene een percentage van het getransporteerde geld als commissie. Is het hof bij het berekenen van de tegenwaarde van de betalingsverplichting in Arubaanse florijn ten onrechte uitgegaan van de wisselkoers op de laatste dag van de bewezenverklaarde periode? HR: het middel doet een beroep op NJ 2019/263 en voert allereerst aan dat het hof bij de omrekening van de betalingsverplichting a.b.i. art. 1:77 Sr Aruba, welke bepaling gelijkluidend is aan art. 36e Sr, de betalingsverplichting in euro’s had moeten uitdrukken. Het middel miskent echter dat NJ 2019/263 alleen ziet op de schadevergoedingsmaatregel a.b.i. art. 36f Sr. T.a.v. de betalingsverplichting a.b.i. art. 36e Sr mag het voordeel en de betalingsverplichting niet in buitenlandse valuta worden uitgedrukt. Het middel faalt in zoverre. Het middel klaagt verder over het oordeel van het hof dat bij de omrekening van het bedrag van het voordeel en de vaststelling van de betalingsverplichting dient te worden uitgegaan van het voordeel dat betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald en daarom kan worden uitgegaan van de wisselkoers zoals die gold op het moment van de voltooiing van het delict. Dat oordeel getuigt echter niet van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. NJ 2005/133) en is niet onbegrijpelijk.