Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.2.5.3:5.2.5.3 Conclusies over klachtdelicten en het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.2.5.3
5.2.5.3 Conclusies over klachtdelicten en het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946234:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het voorgaande is aandacht uitgegaan naar de verhouding tussen het privaatrecht en het publiekrecht in het algemeen en naar de verhouding tussen het privaatrecht en het strafrecht in het bijzonder. Daaropvolgend is het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht geduid en zijn aanknopingspunten in de literatuur en de wetsgeschiedenis beschreven over de wijze waarop de figuur van het klachtvereiste zich verhoudt tot het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht. Het debat op dit punt is met name gevoerd in de periode rondom de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886. Naar dit vraagstuk is minder aandacht uitgegaan na de invoering van het strafwetboek met daarin een regeling van klachtdelicten. Desondanks is het een wezenlijke vraag of en in hoeverre er een spanningsveld bestaat tussen het klachtvereiste en de publiekrechtelijke aard van het strafrecht. Op het eerste oog staat bij het eerste immers het private belang van het slachtoffer centraal en bij het tweede het algemeen belang van de maatschappij. Daarnaast wordt het initiatief tot vervolging bij klachtdelicten verschoven naar een private partij. Dat leidt tot de vraag of en in hoeverre de rechtsfiguur van het klachtdelict een (on)wenselijke doorkruising van het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht oplevert. Aan de beantwoording van die vraag wordt hierna toegekomen.
Ik stel ten eerste vast dat de stellige uitlatingen dat klachtdelicten niet passen bij de publiekrechtelijke aard van het strafrecht dateren uit het einde van de 19e eeuw. Die standpunten moeten worden bezien tegen de eerder in dit hoofdstuk beschreven achtergrond van de indertijd heersende gedachten over een strikte scheiding tussen publiek- en privaatrecht, mede ingegeven door een sterker gevoelde soevereiniteitsgedachte van de Staat. Het denken over de verhouding tussen deelgebieden van het recht is nadien genuanceerd en convergentie tussen rechtsgebieden is steeds meer geaccepteerd. Daarmee heeft ook de gedachte dat het klachtvereiste geen plaats behoort te hebben in een publiekrechtelijke strafrechtspleging aan belang ingeboet.
Ik stel tevens vast dat een tweetal misvattingen een belangrijke rol speelt bij de zienswijze dat de regeling van klachtdelicten het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht op oneigenlijke wijze doorkruist. De eerste misvatting is dat de centrale rol voor het private belang bij klachtdelicten met zich brengt dat voor publieke belangen geen wezenlijke rol is weggelegd. Pols heeft de fout in dit denkbeeld blootgelegd bij de vergadering van de Nederlandsche Juristen-Vereeniging in 1877. Het moet logischerwijs aan de door het feit getroffene worden gelaten om het eigen private belang te wegen dat bestaat bij het al dan niet vervolgen van de dader. Dit betekent echter niet dat uitsluitend dat persoonlijke belang een rol speelt bij de vraag of de pleger van dat feit kan en moet worden vervolgd. De weging van het publieke tegen het private belang vindt eerst plaats door de wetgever die besluit om al dan niet een klachtvereiste toe te voegen aan een misdrijf. De wetgever maakt daarmee duidelijk dat het persoonlijk belang bij het niet-vervolgen van die feiten zo groot kan zijn dat dit het publieke belang bij vervolging mag overschaduwen. In paragraaf 2.4 van hoofdstuk 4 is uitvoeriger uiteengezet dat het verlenen van die voorrang losstaat van het strafwaardige karakter van de gedraging en dat vervolging van de met straf bedreigde klachtdelicten door de wetgever in beginsel geraden wordt geacht. De voorrang die de wetgever wenst te verlenen aan het private belang laat dus onverlet dat een publiek belang is gemoeid met de vervolging van het strafbare feit. De weging van het publieke belang maakt voorts deel uit van de vervolgingsbeslissing die het openbaar ministerie moet nemen nadat een klacht is ingediend. Het is dus niet alleen de klachtgerechtigde die de belangen weegt die met de vervolging van een klachtdelict zijn gemoeid. Die belangen worden vooraf bij het aanwijzen van klachtdelicten in abstracto gewogen door de wetgever en die belangen worden na het indienen van een klacht concreet gewogen door het openbaar ministerie.
Dat publieke belangen een wezenlijke rol spelen bij het klachtvereiste volgt ook uit hetgeen minister van Justitie Modderman stelde in de discussie die zag op het al dan niet toevoegen van een klachtvereiste aan drukpersdelicten. Modderman zette uiteen dat klachtdelicten zijn gegrond op de theoretische basis dat het vervolgen van die feiten in weerwil van het private belang van de door het feit getroffene voor de maatschappij een groter kwaad zou opleveren dan straffeloosheid van dat feit. 1Daarmee geeft de minister te kennen dat het voorrang verlenen aan de belangen van het slachtoffer mede geschiedt in het publieke belang. Het is ook om die reden een misvatting om te veronderstellen dat het private belang bij klachtdelicten zodanig op de voorgrond treedt dat publiekrechtelijke belangen geen rol meer spelen.
De tweede misvatting is dat bij klachtdelicten de klachtgerechtigde direct tegenover de verdachte wordt geplaatst door het initiatief tot vervolging bij de klachtgerechtigde neer te leggen. In hoofdstuk 4 is beschreven dat bij klachtdelicten een driehoeksverhouding centraal staat tussen de verdachte, het openbaar ministerie en het slachtoffer. Meer precies zijn in paragraaf 3.3 van dat hoofdstuk rechtsbetrekkingen uitgewerkt die inzichtelijk maken dat bij de handhaving van klachtdelicten tussen het slachtoffer en de verdachte slechts een indirecte rechtsbetrekking bestaat, waarbij het openbaar ministerie als scharnierpunt binnen de driehoeksverhouding fungeert. Het indienen van een klacht is een juridische handeling die plaatsheeft in de rechtsbetrekking tussen het slachtoffer en het openbaar ministerie. Door al dan niet een klacht in te dienen kan het slachtoffer de rechtsbetrekking tussen het openbaar ministerie en een verdachte beïnvloeden. Het openbaar ministerie kan de verdachte van een klachtdelict immers alleen opsporen en vervolgen na ontvangst van een klacht. De verdachte en de klachtgerechtigde staan dus indirect tegenover elkaar, doordat zij beiden in rechtsbetrekking staan tot het openbaar ministerie dat zich ontfermt over de vervolging. Dat het initiatief tot vervolging ligt bij de klachtgerechtigde maakt dus niet dat sprake is van een zaak tussen twee gelijkwaardige partijen die privaatrechtelijk kan worden genormeerd. Dat is ook niet aangewezen, omdat het klachtvereiste bij absolute klachtdelicten niet is ingegeven door de relatie tussen die partijen. Het draait immers om de gevolgen die het klachtgerechtigde slachtoffer zou ondervinden door de openbare behandeling van de strafzaak en de ruchtbaarheid die dit mogelijk met zich brengt. Bij relatieve klachtdelicten treedt de relatie tussen slachtoffer en dader logischerwijs meer op de voorgrond nu het klachtvereiste is gekoppeld aan het al dan niet bestaan van een bepaalde familiaire relatie tussen beiden. Bij deze delicten is het klachtvereiste ingegeven door de gevolgen die de vervolging kan hebben voor het familieleven van de klachtgerechtigde. Relatieve klachtdelicten zijn echter onverminderd strafbare feiten die de wetgever in beginsel op grond van het gemeenschapsbelang van overheidswege wenst te bestraffen. Dat volgt ook uit de omstandigheid dat een (mede)pleger van het feit die geen familielid van het slachtoffer is ambtshalve kan worden vervolgd voor datzelfde feit. Het gegeven dat een klachtgerechtigd slachtoffer het initiatief moet nemen tot vervolging van een verdachte maakt dus niet dat de zaak onderling tussen die partijen kan worden afgehandeld en privaatrechtelijk zou kunnen worden genormeerd. De positie van het openbaar ministerie is binnen de rechtsfiguur van het klachtvereiste een wezenlijk en onmisbaar element.
Het voorgaande brengt mij tot de navolgende slotsom ten aanzien van de wijze waarop het klachtvereiste zich verhoudt tot het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht. In paragraaf 2.4 zijn vier facetten van het strafrecht gedestilleerd waarnaar in de literatuur hoofdzakelijk aandacht uitgaat bij de duiding van het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht. Dit bracht mij tot de conclusie dat de verticale relatie tussen de betrokken partijen, het algemeen belang dat de sanctionering dient, de aard van de strafoplegging en de normering van het overheidshandelen gezamenlijk invulling geven aan het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht. Dat zijn onderscheidende elementen van het strafrecht als deelgebied binnen het Nederlandse recht. Met het oog op een gedegen vervulling van de specifieke functie die het strafrecht heeft binnen de Nederlandse rechtspleging is het van belang dat die eigenschappen van het strafrecht niet onder druk komen te staan door convergentie met andere rechtsgebieden.
Uit het voorgaande volgt echter dat de rechtsfiguur van het klachtdelict in deze karakteristiek van de publiekrechtelijke aard van het strafrecht kan worden ingepast zonder dat dit conflicteert en zonder dat spanning ontstaat met één of meerdere voornoemde facetten. Het gaat bij klachtdelicten immers om normen die de wetgever op grond van publieke belangen met een zodanige straf wenst te bedreigen dat strafrechtelijke handhaving is aangewezen. Dat de klachtgerechtigde de mogelijkheid heeft om de vervolging te beletten doet daaraan niet af. Ook bij klachtdelicten vindt de vervolging immers steeds plaats van overheidswege. Daarbij functioneert het openbaar ministerie als scharnierpunt in een tweetal rechtsbetrekkingen waarin het staat tegenover respectievelijk de klachtgerechtigde en de al dan niet te vervolgen verdachte. Het aan de klachtgerechtigde toebedeelde vetorecht maakt niet dat de vervolging het publiekrechtelijke karakter verliest. Het klachtvereiste kan juist worden gekwalificeerd als een nadere normering van het overheidshandelen bij de uitvoering van de toebedeelde publiekrechtelijke taak. Dit vetorecht kan daarmee probleemloos worden verklaard vanuit het vierde facet van het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht, zijnde de normering van het overheidshandelen.
Verschillende auteurs stellen dat juist in de strakke normering van het overheidshandelen binnen de strafrechtspleging het publiekrechtelijke karakter van het rechtsgebied het duidelijkst naar voren komt. Eerder in dit hoofdstuk wees ik erop dat Groenhuijsen in 1986 stelde dat het strafrecht tot het publiekrecht behoort juist omdat het de bevoegdheid van de overheid omlijnt om op te reden tegen burgers. Hij beschrijft dat een slagvaardige strafrechtsbedeling wenselijk is, maar dat het tevens in het maatschappelijk belang is dat de individu niet onder de voet wordt gelopen via onbegrensd overheidsoptreden.2 Ook Schalken stelt dat vooral in de normering van de overheidsmacht het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht wordt benadrukt. 3Voornoemde auteurs doelen primair op bescherming van de verdachte die de toorn van de overheid ondervindt. Naarmate de overheid de vrijheden van burgers steviger inperkt moet het handelen van de overheid immers strakker zijn omlijnd. Het openbaar ministerie dient bij het vervolgen van verdachten echter niet alleen rekening te houden met de belangen van die verdachten. Cleiren en Van Male wijzen er terecht op dat het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht met zich brengt dat het openbaar ministerie als behartiger van het algemeen belang en als dominus litus in de procesvoering wordt geacht ook rekening te houden met de belangen van andere bij de strafzaak betrokken personen, zoals slachtoffers en getuigen. 4Onder de belangen van slachtoffers moeten uiteraard ook de belangen van klachtgerechtigden worden begrepen. Tegen deze achtergrond kan het klachtvereiste worden aangemerkt als een nadere normering van het overheidshandelen binnen het strafrecht ten behoeve van belangen waarmee de wetgever expliciet rekening wenst te houden. Het is dus geen anomalie binnen de strafrechtspleging.
Het is van belang om in te zien dat de vervolging van klachtdelicten niet primair door private belangen is ingegeven. Bij de vervolging van deze feiten draait het nog steeds om gedragingen die de wetgever met het oog op het publiek belang van overheidswege wenst te bestraffen. Dat bij klachtdelicten aan het slachtoffer een vetorecht ten aanzien van de vervolging is toebedeeld heeft slechts te gelden als een nadere normering van het exclusieve vervolgingsrecht dat de overheid toekomt. Schalken stelde dat:
“Het strafrecht kan worden omschreven als een methode tot ordening van publiekrechtelijke rechtsbetrekkingen met behulp van bijzondere, soms exclusief aan het strafrecht toevertrouwde instrumenten.”5
Mijns inziens moet het klachtvereiste worden bezien als een dergelijke exclusief aan het strafrecht toevertrouwde rechtsfiguur die bijdraagt aan het functioneren van de strafrechtspleging doordat de wetgever met het klachtvereiste een situatie creëert waarin bij de vervolging van bepaalde delicten het overheidsingrijpen strakker wordt genormeerd ten faveure van private belangen van direct betrokkenen. Het gaat daarbij nog steeds om feiten die de wetgever laakbaar en vervolgingswaardig acht, maar waarbij nadrukkelijk oog bestaat voor het voorkomen van secundaire victimisatie van de door het feit getroffene. Modderman benoemde dat dit ook geschiedt in het algemeen belang. Als de rechtsfiguur van het klachtdelict in lijn met het voorgaande wordt gepercipieerd als een nadere normering en begrenzing van het overheidsingrijpen ten behoeve van de belangen van bij de feiten betrokken burgers dan strookt dit zeer wel met het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht.