Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.8.3:7.3.8.3 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.8.3
7.3.8.3 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS611430:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vanwege de gelijkstellingen van ongehuwde samenwoners met gehuwden en geregistreerde partners, en van adoptie-, stief- en pleegkinderen met ‘eigen’ kinderen, lijkt art. 10a lid 5 Wet VPB 1969 neutraal ten aanzien van de gekozen samenlevingsvorm. De neutraliteit zou kunnen worden verbeterd door ongehuwde samenwoners die niet voldoen aan de voorwaarden voor het partnerschap, ook tot de kring van verbonden personen te rekenen. Voor de gelieerdheid van ongehuwde samenwoners zou voorts een tegenbewijsmogelijkheid moeten worden geïntroduceerd.
Specifiek voor art. 10a lid 5 onderdeel a Wet VPB 1969 geldt nog dat er geen neutraliteit bestaat ten aanzien van het door de echtgenoten of geregistreerde partners gekozen huwelijksgoederenregime. Bij een huwelijk of geregistreerd partnerschap buiten gemeenschap van goederen is een echtgenoot of geregistreerd partner die zelf geen ‘belang’ heeft in een lichaam niet aan te merken als een ‘verbonden natuurlijk persoon’ ten opzichte van dat lichaam, ook niet indien de andere echtgenoot of partner wel een ‘belang’ heeft. Voor de toepassing van art. 10a lid 5 onderdeel a Wet VPB 1969 wordt namelijk alleen gekeken naar het ‘belang’ dat een persoon zelf houdt, en niet naar een belang dat zijn echtgenoot of partner bezit. Ingeval van een wettelijke gemeenschap van goederen lijkt de echtgenoot of partner die zelf geen ‘belang’ heeft, wel als ‘verbonden natuurlijk persoon’ te moeten worden aangemerkt. Bij een wettelijke gemeenschap van goederen zijn de echtgenoten of partners immers beide voor het geheel gerechtigd tot de huwelijksgoederengemeenschap. Er lijkt dan dus sprake van een ‘belang’ dat tot het vermogen van een persoon behoort, ook indien deze echtgenoot of partner zelf niet de houder is van dat belang. Dit ‘belang’ is niet aanwezig in geval van huwelijksvoorwaarden.
Deze inbreuk op de neutraliteit is niet aan de orde bij het begrip van art. 10a lid 5 onderdeel b Wet VPB 1969, omdat de echtgenoot of geregistreerd partner van de houder van een ‘belang’ voor deze bepaling, ongeacht het huwelijksgoederenregime, als een ‘verbonden natuurlijk persoon’ wordt beschouwd. Overigens vind ik deze ruimere definitie ook logisch in verband met de antimisbruikfunctie van het verbondenheidsbegrip. Op basis van deze functie acht ik het ook niet bezwaarlijk om in art. 10a lid 5 Wet VPB 1969 uit te gaan van slechts één begrip ‘verbonden natuurlijk persoon’, dat is gebaseerd op de definitie die thans is opgenomen in onderdeel b.