Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.5.4.2
4.5.4.2 De inhoud van het begrip 'gewoonlijk gestald' in de Richtlijn
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS394763:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2 onder a betreft de schadeafwikkeling door de Bureaus; art. 10 ziet op de schadeafwikkeling door de waarborgfondsen.
Overweging 11 van de 2e Richtlijn.
Gewezen zij op rechtsoverweging 13 in het hierna te bespreken Gambetta-arrest van het Hof van Justitie van de EG van 9 februari 1984. Het lijkt erop dat de problematiek die in het Gambettaarrest en in het hierna ook te bespreken BCF-arrest aan de orde was, de aanleiding heeft gevormd voor de wijziging van dit element van de definitie van het begrip 'gewoonlijk gestald'.
'Regelmatig afgegeven' betekent hier: volgens de regels afgegeven.
HvJ EG 9 februari 1984, nr. 344/82 (Gambetta-arrest), Jur. 1984, p. 591.
Zie de opmerking daarover van de advocaat-generaal bij het hof in zijn conclusie voorafgaand aan het arrest.
HvJ EG 9 februari 1984, nr. 64/83 (Bureau Central Frawais/Fonds de garantie automobile e.a.),Jur. 1984, p. 689.
Zie voor Nederland art. 3 lid 1 Wam.
Zie rechtsoverweging 13 van het Gambetta-arrest.
HvJ EG 12 november 1992, nr. C-73/89 (Fournier/Van Werven e.a.), Jur. 1992 p. 1-5621.
In zijn arrest van 6 oktober 1987, nr. 152/83 (Demouche e.a /Fonds de Garantie en Bureau Central Fraiwais),Jur. 1987, p. 3833, had het hof reeds beslist dat het zijn bevoegdheid ontleent aan het toenmalige art. 177 EEG-Verdrag dat het hof de bevoegdheid gaf bij wijze van préjudiciële beslissing handelingen van de instellingen van de Gemeenschap uit te leggen en dat de overeenkomsten tussen de Bureaus niet als zodanig te kwalificeren zijn.
Zie het verslag van de bijeenkomst van de Commissie met de lidstaten van 28 september 2006, doc. MARKT/2531/06.
Art. 4 van de Richtlijn. Zie ook par. 33.5.7.
Bron: Council of Bureaux.
Zo in Slovenië en Tsjechië (dit laatste land na veertien dagen). Bron: Council of Bureaux. Omdat een dergelijk onverzekerd voertuig op grond van art. 1, onderdeel 4, sub d van de Richtlijn bij een ongeval niet meer geacht wordt gewoonlijk te zijn gestald in het land waarvan het de kentekenplaat draagt, maar in de lidstaat van het ongeval en het Bureau van de lidstaat van (oorspronkelijke) registratie dus niet langer aansprakelijk is, strijdt deze wetgeving met het uitgangspunt van de Richtlijn, dat de Bureaus de afwikkeling van verzekerde en onverzekerde voertuigen moeten garanderen.
Denkbaar is dat dit van geval tot geval zal moeten worden bepaald. Voor de praktijk is dat niet eenvoudig.
Zie voor de dekking van de waarborgfondsen par. 5.6.
a. Algemeen
De Richtlijn geeft een vierledige inhoud aan het centrale begrip 'grondgebied van een lidstaat waarop het voertuig gewoonlijk is gestald'. Dat grondgebied is volgens art. 1, onderdeel 4 van de Richtlijn:
"a) het grondgebied van de Staat waarvan het voertuig een kentekenplaat draagt, ongeacht of het een permanente of een tijdelijke kentekenplaat betreft; of
b) indien voor een bepaald soort voertuigen geen registratie bestaat, maar dit voertuig een verzekeringsplaat of een met een kentekenplaat overeenkomend kenteken draagt, het grondgebied van de Staat waar deze plaat of dit kenteken zijn afgegeven; of
c) indien voor bepaalde typen voertuigen geen registratie, verzekeringsplaat of onderscheidingsteken bestaat, het grondgebied van de Staat waar de houder zijn woonplaats heeft;
d) in gevallen waarin voertuigen die geen kentekenplaat dragen of een kentekenplaat dragen die niet overeenkomt of niet langer overeenkomt met het voertuig, bij een ongeval betrokken zijn geweest, het grondgebied van de staat waar het ongeval heeft plaatsgevonden, met het oog op de afwikkeling van de vordering overeenkomstig art. 2, onder a) of artikel 10.”1
Op de strijd van art. 2 lid 7 onderdeel d met de Richtlijn is reeds gewezen in paragraaf 3.4.4.5 onder d.
b. Richtlijn en Benelux-Overeenkomst
Het valt op, dat de Richtlijn een meer gedetailleerde definitie van het begrip 'gewoonlijk gestald' geeft dan de Gemeenschappelijke bepalingen. Deze laatste geven in art. 1 alleen een omschrijving voor gekentekende (geregistreerde) motorrijtuigen. Dat was van meet af aan het geval. In 1972 werd reeds een voorziening getroffen, zowel voor voertuigen die niet worden geregistreerd maar van een verzekeringsplaat of een ander onderscheidingsteken worden voorzien, als voor voertuigen waarvoor in het geheel geen plaat bestaat.
Voor wat betreft 'voertuigen die aan kentekening onderworpen' zijn, valt erop te wijzen dat de Benelux-regeling de 'registratie' van een motorrijtuig als basis neemt. In 1972 was dat ook het eerste criterium van de Richtlijn, maar in 1984 werd dat aanknopingspunt vervangen door het criterium van de kentekenplaat. De overwegingen bieden weinig inzicht in de achtergronden. Daar valt slechts te lezen, dat:
"het meest geschikte criterium om te bepalen of een voertuig gewoonlijk is gestald in een bepaalde lid-Staat het dragen van een kentekenplaat van deze Staat is; dat dientengevolge art. 1 lid 4, eerste streepje van Richtlijn 72/166/EEG in deze zin dient te worden gewijzigd."2
Aangenomen moet worden dat aan deze omschakeling van registratie naar kentekenplaat de overweging ten grondslag heeft gelegen, dat het voor de grensautoriteiten onmogelijk is om na te gaan of een motorrijtuig werkelijk in een bepaalde lidstaat is geregistreerd. Zij kunnen slechts afgaan op de op dat voertuig aangebrachte plaat. De afschaffing van de controle van de groene kaart moest niet worden vervangen door een controle van de kentekenpapieren.3
c. Jurisprudentie van het EU-Hof
In een aantal arresten heeft het Hof van Justitie van de EU zich moeten uitlaten over de juiste interpretatie van het begrip 'gewoonlijk gestald'. Deze arresten hebben alle te maken met bijzondere situaties, zoals de intrekking of het ongeldig verklaren van een kenteken en het geval waarin een schadeveroorzakend motorrijtuig voorzien is van een valse kentekenplaat. Deze arresten hebben in het licht van de wijziging die met de 5e Richtlijn is aangebracht in de omschrijving van 'de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald', thans art. 1, onderdeel 4 onder d van de Richtlijn, althans in dit opzicht, geen relevantie meer. Toch is het nuttig aan deze arresten aandacht te besteden, omdat de le Richtlijn zoals deze gold tot de invoering van de 5e Richtlijn een bevredigender oplossing gaf voor de problematiek van de 'kentekens met een gebrek'.
In een tweetal arresten, beide gewezen op 9 februari 1984, gaat het hof in op de situatie van een op zichzelf regelmatig voor het betrokken voertuig afgegeven kenteken.4 In het eerste arrest (SA Gambetta Auto tegen het Bureau Central Francais en het Fonds de Garantie Automobile, hierna Gambetta-arrest5), gaat het om een Oostenrijkse auto, die in Frankrijk schade veroorzaakt. De vergunning om het voertuig te gebruiken blijkt enige maanden voor het ongeval door de Oostenrijkse autoriteiten te zijn ingetrokken wegens het ontbreken van verzekeringsdekking. Het voertuig is - naar het schijnt - echter niet uit het (kenteken)register geschrapt.6 Het hof oordeelt dat een voertuig dat een regelmatig afgegeven kentekenplaat draagt, moet worden geacht gewoonlijk te zijn gestald - in de zin van Richtlijn 72/166/EEG - op het grondgebied van de staat waar het kenteken is afgegeven, ook indien de vergunning om het voertuig te gebruiken op het betrokken tijdstip was ingetrokken.
Het tweede op 9 februari 1984 gewezen arrest (Bureau Central Francais tegen Fonds de Garantie Automobile en anderen, hierna BCF-arrest7 ) betreft een ongeval (wederom in Frankrijk) veroorzaakt door een gestolen Duitse auto waarvan het kenteken, anders dan in het geval van het Gambetta-arrest, (wegens de diefstal) in het Duitse kentekenregister is doorgehaald.
In deze zaak zijn twee rechtsvragen aan de orde. De eerste luidt of het Bureau in het ongevalsland de schade moet afwikkelen louter op basis van zijn eigen wetgeving of dat de eventueel ruimere wettelijke dekking in het land van registratie van het voertuig maatgevend moet zijn (het gaat in casu om de in een aantal landen toegelaten diefstaluitsluiting).8 Deze kwestie komt uitvoeriger aan de orde in paragraaf 5.4.23.
De tweede rechtsvraag lijkt op die van het Gambetta-arrest: hoe moet het begrip 'gewoonlijk gestald' in het geval van een doorgehaald kenteken worden uitgelegd? Met een verwijzing naar de motivering in de Gambetta-zaak verklaart het hof ten aanzien van deze tweede vraag voor recht dat:
"2. een voertuig dat voorzien is van een regelmatig afgegeven kentekenplaat, moet worden geacht gewoonlijk te zijn gestald, in de zin van de richtlijn, op het grondgebied van de Staat die het kenteken heeft afgegeven, ook indien de vergunning om het voertuig te gebruiken, op het betrokken tijdstip was ingetrokken, ongeacht of de intrekking van de vergunning het kenteken ongeldig maakt of de intrekking ervan meebrengt."
De ratio van dit oordeel is dat de controle op de groene kaart niet moet worden vervangen door een controle op de registratie.9
In deze arresten gaat het om regelmatig afgegeven kentekens, dat wil zeggen om kentekens die ooit daadwerkelijk aan het betrokken voertuig toegekend waren. In een derde arrest tenslotte, het Fournier-arrest10, gaat het om de uitleg van het begrip 'gewoonlijk gestald' in het geval van een schade, veroorzaakt in Frankrijk, door een in Nederland gestolen Duitse auto, die door de dieven van valse Nederlandse platen is voorzien.
Anders dan in het Gambetta- en het BCF-arrest is niet alleen de vraag aan de orde óf de schade door het Bureau in het ongevalsland moet worden behandeld, maar ook - bij bevestigende beantwoording - ten laste van wélk Bureau: Duitsland, omdat vastgesteld kon worden dat het voertuig daar het laatst regelmatig geregistreerd is geweest; Nederland, omdat de auto een weliswaar valse maar toch Nederlands lijkende plaat draagt; of geen van beide, omdat de Richtlijn in dit geval niet voorziet, met als gevolg dat de schade ten laste van het Franse waarborgfonds zou moeten komen. De vraag wordt opgehangen aan het begrip 'gewoonlijk gestald'.
Al deze standpunten worden in de procedure door verschillende partijen verdedigd. Met name het laatste standpunt, naar voren gebracht van Duitse zijde, is interessant, omdat dit de oplossing is die uiteindelijk in essentie in de 5e Richtlijn wordt gecodificeerd, in afwijking van het arrest.
Het hof verklaart voor recht dat:
"artikel 1, lid 4, van richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, aldus (moet) worden uitgelegd, dat een voertuig dat bij de overschrijding van de grens een kentekenplaat draagt die door de autoriteiten van een lid-Staat regelmatig is afgegeven, doch vals is, in dier voege dat het in feite om de voor een ander voertuig afgegeven kentekenplaat gaat, moet worden geacht te zijn gestald op het grondgebied van de staat die de betrokken plaat heeft afgegeven."
Het door het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars in de procedure naar voren gebrachte argument dat dit tot de weinig bevredigende uitkomst leidt dat de schadelast komt te drukken op een verzekeringsmarkt die geen enkele relatie met het betrokken voertuig heeft, wordt door het hof in rechtsoverweging 21 en 22 van tafel geveegd:
"21. Voor het Hof is betoogd, dat die uitlegging tot de weinig bevredigende conclusie leidt, dat het nationale bureau van de staat waar het ongeval plaatsvond, het nationale bureau van de staat van het gestolen of valse kenteken om terugbetaling van de aan de slachtoffers uitgekeerde schadeloosstelling kan verzoeken, hoewel er geen enkele band is tussen die staat en het voertuig dat het ongeval veroorzaakte.
22. In zoverre moet erop worden gewezen, dat ook al heeft de verwijzende rechter de prejudiciële vraag gesteld met het oog op de uitlegging van de overeenkomst tussen nationale bureaus, die ten doel heeft te regelen welk bureau uiteindelijk de benadeelde moet vergoeden, dit argument niet ter zake dienend is, omdat de aanwijzing van het bureau dat voor de schade moet opkomen, zoals in deze overeenkomst geregeld, een niet door de richtlijn bestreken gebied betreft en de in de overeenkomst gebruikte termen bijgevolg niet noodzakelijkerwijs dezelfde betekenis hoeven te hebben als die in de richtlijn."
De Bureaus hebben, gebruikmakend van de ruimte die de hiervoor geciteerde r.o. 22 hen biedt, in reactie op het Fournier-arrest een overeenkomst gesloten die de gevolgen van het arrest deels ongedaan maakte.11 Als vastgesteld kan worden in welke lidstaat het schadeveroorzakende voertuig het laatst regelmatig geregistreerd was, komt de schade ten laste van het Bureau van die lidstaat. Deze zogenaamde Verklaring inzake Valse Platen van 17 september 1993 is tegelijkertijd met de implementatie van de 5e Richtlijn beëindigd.
d. De weg van de 5e Richtlijn
De 5e Richtlijn slaat een totaal andere richting in, een richting zoals gezegd die in de Fournier-procedure reeds werd bepleit door het Duitse Bureau. Als voertuigen 'geen kentekenplaat dragen of een kentekenplaat dragen die niet overeenkomt of niet langer overeenkomt met het voertuig', dan worden zij met het oog op de afwikkeling van schaden door - kort gezegd - de Bureaus en de waarborgfondsen geacht gewoonlijk te zijn gestald in het land van het ongeval.
De Commissie stelt zich op het standpunt dat het begrip 'niet overeenkomen met het voertuig' ruim moet worden opgevat.12 Het omvat niet alleen valse kentekens, maar ook verlopen, ingetrokken, of geschorste kentekens. Daarom kon hierboven worden gesteld dat de Gambetta-, BCF- en Fournier-arresten in dit opzicht hun relevantie hebben verloren.
e. Aanspraak op Bureau of op waarborgfonds?
De vraag is wat de verwijzing in art. 1, onderdeel 4, onder d van de Richtlijn naar art. 2 onder a te betekenen heeft. Zij lijkt te bedoelen dat als een voertuig zonder kenteken of met een kentekenplaat die niet of niet langer met het voertuig overeenstemt toch nog verzekerd blijkt te zijn, er een aanspraak op het Bureau in het land van het ongeval zou bestaan. Dat lijkt voor de hand te liggen, maar die conclusie is onjuist. Daarmee ziet de Richtlijn immers over het hoofd, dat de Bureaus alleen verantwoordelijk zijn voor de afwikkeling van ongevallen die op hun grondgebied zijn veroorzaakt door voertuigen die gewoonlijk in het buitenland zijn gestald. Art. 1, onderdeel 4, onder d van de Richtlijn bepaalt nu juist dat een dergelijk voertuig met een kenteken 'met een gebrek' in geval van een ongeval geacht wordt voor de afwikkeling van dat ongeval gewoonlijk te zijn gestald in de lidstaat van het ongeval. Dat betekent dat er geen aanspraak op het Bureau zou bestaan en dat de benadeelde zich tot het waarborgfonds zou moeten wenden.
Praktisch is deze oplossing echter niet. Nadat het waarborgfonds de benadeelde schadeloos heeft gesteld, zou het alsnog regres moeten nemen op de verzekeraar in het land van het ongeval. Te bepleiten is daarom dat - als bij onderzoek naar het kenteken zou blijken dat het voertuig ondanks het gebrek in het kenteken toch verzekerd is - het Bureau van het land van het ongeval de schade regelt en verhaalt op de verzekeraar of het Bureau waarvan de verzekeraar lid is. Zie verder paragraaf 4.6.2.2 onder d.
f. Beoordeling van de regeling voor kentekens 'met een gebrek'
Of de nieuwe behandeling van schaden veroorzaakt door voertuigen met een 'plaat met een gebrek' onder alle omstandigheden een uitkomst oplevert die meer bevredigt dan die onder de genoemde arresten, is de vraag. Aan de binnengrenzen van de EU mogen noch voertuigen die gewoonlijk zijn gestald in een der lidstaten, noch voertuigen die van buiten de EU komen op de naleving van de verzekeringsplicht worden gecontroleerd. Binnen een lidstaat zijn dergelijke controles alleen toegestaan als zij niet systematisch, niet discriminatoir en niet louter op de controle op de naleving van de verzekeringsplicht zijn gericht.13 De lidstaten moeten dus kunnen vertrouwen op de effectiviteit van de handhaving van het kenteken- en verzekeringsregistratiesysteem in de andere lidstaten. En hier wreekt zich het gebrek aan uniformiteit. Niet alleen verschilt de zuiverheid van het kentekenregister van lidstaat tot lidstaat, bovendien kennen de lidstaten volkomen verschillende regels ten aanzien van het schorsen, vervallen verklaren en intrekken van kentekens14. In sommige lidstaten leidt het ontbreken van verzekeringsdekking reeds tot ongeldigheid van het kenteken.15 De door de Commissie voorgestane zeer ruime uitleg van het begrip 'kentekenplaten die niet of niet langer overeenkomen met het voertuig' leidt ertoe dat (de verzekeringsmarkten van) lidstaten die minder snel tot schorsing, intrekking of vervallenverklaring overgaan, wel aansprakelijk blijven voor 'hun' voertuigen, maar bovendien - langs de weg van het waarborgfonds - ook nog eens voor de schaden die in hun land worden veroorzaakt door voertuigen uit vlotter schorsende lidstaten. Hier valt slechts voor harmonisatie te pleiten.
De oplossing waartoe de Bureaus in reactie op het Fournier-arrest waren gekomen bevredigt meer. Daar kwam de schade ten laste van de verzekeringsmarkt waartoe het voertuig het laatst regelmatig 'behoorde'.
Daarnaast brengt de nieuwe definitie mee dat de benadeelde zich tot het waarborgfonds in het ongevalsland zal moeten wenden. Niet duidelijk is of voertuigen met een kentekenplaat die niet of niet meer aan dat voertuig zijn toegekend, als onverzekerd of niet-geïdentificeerd moeten worden beschouwd. De Richtlijn laat zich daarover niet uit. Dat is te betreuren, gezien de aanzienlijke verschillen in rechtsbescherming van met name slachtoffers van niet-geïdentificeerde veroorzakers in de onderscheiden lidstaten.16 Zoals later zal blijken bieden de waarborgfondsen van de meeste lidstaten geen tot een zeer beperkte bescherming als het aansprakelijke voertuig als niet geïdentificeerd wordt aangemerkt en het ongeval slechts materiële schade tot gevolg heeft.17 Het gevolg is dat de positie van de benadeelde in een dergelijk geval bepaald minder is geworden dan vóór de invoering van de 5e Richtlijn onder de jurisprudentie van het hof.