Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/5.6
5.6 De rechtspersoon als quasi-bestuurder
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631688:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 14 maart 2008, JOR 2008/152 m.nt. Borrius (Lammers/Aerts q.q.). Art. 2:248 lid 7 BW en art. 2:11 BW hebben volgens de Hoge Raad beide de strekking misbruik van rechtspersoonlijkheid te voorkomen. Het maakt volgens de Hoge Raad voor de toepassing van art. 2:11 BW geen verschil of de rechtspersoon die op grond van art. 2:248 BW aansprakelijk is, formele bestuurder dan wel beleidsbepaler van de failliete vennootschap is. Ook de wetsgeschiedenis van beide artikelen duidt erop dat art. 2:11 BW niet beperkt moet worden uitgelegd. Hetzelfde moet wat betreft de vergelijkbare bepalingen in Curaçao worden aangenomen. Zie Hanegraaf (2017), nr. 4.8 voor een uitvoerige bespreking van deze uitspraak.
Murray (2016), p. 431.
Vgl. HR 17 februari 2017, JOR 2017/121 m.nt. Leijten (Le Roux Fruit Exporters). Volgens de Hoge Raad volgt uit de aard van de bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW, dat als een rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk is op die grond, een bestuurder van die rechtspersoon-bestuurder aansprakelijkheid op grond van art. 2:11 BW (art. 2:17 BWC) (alsnog) kan voorkomen door te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van de gedragingen waarop de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder is gebaseerd. Deze bewijslastverdeling doet volgens de Hoge Raad recht zowel aan de ratio van art. 2:11 BW (art. 2:17 BWC) als aan de vereisten voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW. Zie over deze uitspraak Hanegraaf (2017), nr. 5.10.1.
HR 21 juni 2013, JOR 2013/238 m.nt. Verhagen (My Guide). Over deze uitspraak uitvoerig Hanegraaf (2017), nr. 6.6.
Asser/Kroeze 2-I (2021), nr. 212; Bulten en Leijten (2013); en Assink/Slagter (2013), nr. 15. Zie ook Lennarts (2017), p. 175-178 en Timmerman (2017), p. 38.
Vgl. Hanegraaf (2017), nr. 4.10.3.2.
Vgl. nr. 2.14 van de Conclusie van A-G Timmerman d.d. 14 maart 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BC1231 (Lammers/Aerts q.q.): “Daarbij komt dat de formele bestuurder van een rechtspersoon feitelijke bestuurder niet altijd vrijuit gaat, ook al kan art. 2:11 BW niet op hem worden toegepast. Ten aanzien van hem kan immers aannemelijk worden gemaakt dat hij feitelijk bestuurder van de gefailleerde vennootschap is.” In gelijke zin Hanegraaf (2017), nr. 4.10.3.1.
Bij de rechtspersoon als quasi-bestuurder kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een rechtspersoon die aandeelhouder is en een bepaald door het bestuur te nemen besluit door het uitoefenen van intense druk afdwingt. Er is geen overtuigend argument om de rechtspersoon-aandeelhouder in dat geval niet als quasi-bestuurder aan te merken en aansprakelijk te houden op grond van onrechtmatig handelen. Voor zover nodig kan de schade op de betrokken natuurlijke persoon worden verhaald met een beroep op de ‘doorschakelregeling’ (art. 2:11 BW/art. 2:17 BWC).1 De bepaling in Curaçao is ontleend aan de Nederlandse wetsbepaling2 en dient overeenkomstig te worden uitgelegd en toegepast. Beide regelingen zijn van toepassing bij zowel de interne aansprakelijkheid als bij aansprakelijkheid jegens derden op basis van art. 6:162 BW.3
Is een buitenlandse rechtspersoon de ‘directe’ bestuurder van de rechtspersoon naar het recht van Nederland respectievelijk Curaçao, dan geldt op grond van de incorporatieleer dat van doorwerking geen sprake kan zijn.4 Anders gezegd: er kan geen doorwerking op grond van art. 2:11 BW respectievelijk art. 2:17 BWC plaatsvinden als zich tussen de (primair aansprakelijke) rechtspersoon naar het recht van Nederland dan wel Curaçao en de uiteindelijke natuurlijke persoon of personen, een buitenlandse rechtspersoon bevindt. In dat verband geldt een rechtspersoon naar Nederlands recht in Curaçao als een buitenlandse rechtspersoon, en omgekeerd. De vraag kan nog worden gesteld of de natuurlijke persoon die bestuurder is van de buitenlandse bestuurder-rechtspersoon van een rechtspersoon naar het recht van Nederland dan wel Curaçao niet toch aansprakelijk zou kunnen zijn als quasi-bestuurder. Het antwoord op die vraag wordt op grond van de incorporatieleer beheerst door het recht van Nederland respectievelijk Curaçao. In dat verband zou (mede) een rol kunnen spelen of de betrokken natuurlijke persoon een buitenlandse rechtspersoon heeft tussengeschoven met het oogmerk om de werking van art. 2:11 BW dan wel art. 2:17 BWC te frustreren. In dat geval zou dienen te gelden dat misbruik van rechtspersonenrecht in rechte niet dient te worden gehonoreerd. Bovendien zou in dat geval de ‘gewone’ toetsingsnorm van art. 6:162 BW dienen te gelden.
Volgens Asser/Kroeze5 kan uit de rechtspraak van de Hoge Raad worden afgeleid dat de aansprakelijkheid uit hoofde van art. 2:11 BW niet kan doorgrijpen naar de feitelijke beleidsbepaler (de quasi-bestuurder) van de rechtspersoon-bestuurder, maar enkel kan doorgrijpen naar de formele bestuurders van een rechtspersoon-feitelijk beleidsbepaler. Naar mijn mening zou doorgrijpen ook in het eerstgenoemde geval voor de hand liggen, omdat de ratio van de bepalingen is om de natuurlijke personen die (uiteindelijk) verantwoordelijk zijn voor de schending van de aan de orde zijnde norm(en), aansprakelijk te kunnen houden.6 Dit laat uiteraard de mogelijkheid open dat de feitelijke beleidsbepaler van de rechtspersoon-bestuurder ook als eerstegraads beleidsbepaler zou kunnen worden aangemerkt.7