Overeenkomst tot arbitrage
Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/8.2.9.1:8.2.9.1 Inleiding
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/8.2.9.1
8.2.9.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS510888:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ik zal thans bepleiten dat art. 1021 Rv moet worden omgezet in een totstandkomingsvoorschrift en daarbij bezien wat daarvan de voordelen zijn (zie 8.2.9.2). Ingevolge art. 3:39 BW zijn rechtshandelingen die niet in de voorgeschreven vorm zijn verricht in beginsel nietig. Ik zal daarom ingaan op de vraag welke gevolgen art. 3:39 BW heeft als art. 1021 Rv daadwerkelijk een vormvoorschrift vormt betreffende de totstandkoming van de overeenkomst tot arbitrage (zie 8.2.9.3). Hierbij zij wel opgemerkt dat het nog de vraag is of art. 3:39 BW voor toepassing op de overeenkomst tot arbitrage in aanmerking komt. Indien op de overeenkomst tot arbitrage niet Nederlands materieel recht van toepassing is, is art. 3:39 BW mijns inziens niet van toepassing. Het is niettemin van belang in te gaan op de vraag wat de gevolgen van de schending van het vormvoorschrift voor de totstandkoming van de overeenkomst tot arbitrage zijn omdat niet is uitgesloten dat het materieel recht dat wel op de overeenkomst tot arbitrage van toepassing is een soortgelijke bepaling kent als art. 3:39 BW of omdat niet is uitgesloten dat wordt aangenomen dat uit de aard van een vormvoorschrift voor de totstandkoming van een overeenkomst volgt dat de overeenkomst bij schending van het voorschrift (in beginsel) nietig is.