Einde inhoudsopgave
Vertrouwen voorop (IVOR nr. 114) 2019/4.1
4.1 Inleiding
E.V.A. Eijkelenboom, datum 01-05-2019
- Datum
01-05-2019
- Auteur
E.V.A. Eijkelenboom
- JCDI
JCDI:ADS606188:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Of op z’n Rotterdams: “niet lullen maar poetsen”.
Als Rotterdamse promovenda, verbonden aan Erasmus School of Law – waarin de kernwoorden, innovatief, ondernemend en met grote maatschappelijke impact centraal staan en het motto van het onderwijs “active academic learning” is (zie www.eur.nl/esl/ over/missie) – past deze mentaliteit mij uitstekend en hoop ik hiervan ook iets terug te laten zien in dit proefschrift.
AFM 2015b, p. 91.
Zie MCA 2018, p. 6. Het MCA-rapport kreeg dan ook de aansporende titel “Doorpakken!”.
Ook binnen het academische onderwijs is probleemgestuurd leren een erkend didactisch model, zie Wijnen, Montijn en Houweling 2014.
De in dit onderzoek gehanteerde onderverdeling aan de hand van wetsvoorstellen wijkt af van die van bijvoorbeeld Bindenga (1973, p. 120-139) en De Vries (1985, tweede en derde hoofdstuk) die de ontwikkeling van het accountantsberoep aan de hand van de ontwikkeling van de accountantswerkzaamheden toelichten. Door de ontwikkeling van het Nederlandse accountantsberoep vanuit rechtshistorisch perspectief te bezien bevat dit onderzoek een unieke invalshoek en is zij een waardevolle bijdrage aan al bestaand historisch onderzoek naar de ontwikkeling van het Nederlandse accountantsberoep.
Stb. 1962, 258.
Stb. 2006, 70.
De Rotterdamse ‘handen uit de mouwen’-mentaliteit1 past uitstekend op het accountantsberoep waar het concept ‘lerend vermogen’ al enige tijd centraal staat.2 De AFM beschreef het concept ‘lerend vermogen’ in een recent onderzoek als het actief leren “van zaken die goed gaan en zaken die fout gaan, in het belang van continue kwaliteit en kwaliteitsverbetering”.3 Niet lang daarna maande de MCA de accountantsberoepsgroep om door te pakken met het verhogen van de controlekwaliteit door de “koppeling van oorzaken, maatregelen en effecten” te onderbouwen.4 Aandacht voor leren, ontwikkelen en verbeteren staat, zeker de laatste decennia, centraal binnen het accountantsberoep. Lerend vermogen vereist zowel reflectie als actief handelen. Bij het constateren van een probleem, eerst stilstaan en nadenken over de oorzaken om dan, met inachtneming van bestaande kennis, mogelijke oplossingsrichtingen te onderzoeken en aan te pakken.5
Zoals ik in de probleemstelling in paragraaf 1.1. al aanstipte nemen kwaliteitsbevorderende maatregelen een centrale plaats in de Nederlandse accountantspraktijk in. Tegelijk bestaat het probleem van onduidelijkheid over de doelmatigheid en doeltreffendheid van deze maatregelen. Het gebrek aan duidelijkheid leidt onder meer tot inefficiënte maatschappelijke en politieke discussies die mogelijk uitmonden in de totstandkoming van inefficiënte wet- en regelgeving. Het is daarom noodzakelijk om (meer) inzicht te verkrijgen in de beleidsoverwegingen die ten grondslag liggen aan de totstandkoming van kwaliteitsbevorderende maatregelen. Kennis van de ontwikkeling en totstandkoming van de kwaliteitsbevorderende wet- en regelgeving helpt bij de duiding en beoordeling van de doeltreffend- en doelmatigheid van de kwaliteitsbevorderende maatregelen. Anders gezegd, deze kennis draagt bij aan het ‘lerend vermogen’ bij de ontwikkeling van wet- en regelgeving.
Met de parlementaire geschiedenis als leidraad onderzoek ik in dit hoofdstuk waarom kwaliteitsbevorderende wetgeving voor Nederlandse accountantsorganisaties tot stand is gekomen. In de totstandkoming van de kwaliteitsbevorderende wetgeving voor accountantsorganisaties in Nederland zijn ruwweg drie fasen te herkennen. De eerste fase markeert het ontstaan van het accountantsberoep in Nederland. Deze periode loopt van 1879 tot 1895 en is onderwerp van paragraaf 4.2.1. Na het ontstaan van het accountantsberoep uitten accountants de wens het beroep wettelijk te verankeren. Deze tweede fase van ontwikkeling loopt van 1895 tot 1963 en staat centraal in paragraaf 4.2.2. Diverse staatscommissies onderzochten in deze periode de mogelijkheden en wenselijkheid van wetgeving voor het accountantsberoep.6 De totstandkoming van de WRA markeert het startpunt van de wettelijke regulering van het accountantswezen en gaat gepaard met de formalisering, erkenning en bescherming van accountants.7 Na de totstandkoming van wetgeving op het niveau van de individuele accountant ontwikkelde zich wetgeving op het niveau van de accountantsorganisaties. De inwerkingtreding van de Wta in 2006 markeert daarbij een (tweede) kantelpunt in de geschiedenis van de accountant als vrije beroepsbeoefenaar.8 De ontwikkeling van wetgeving voor de accountantsorganisatie in de periode na 1962 tot heden vormt het onderwerp van paragraaf 4.3. Paragraaf 4.4 bevat de conclusies.