Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/5.5.4.1
5.5.4.1 Art. 2:334t BW; cumulatie met schuldeisersverzetsrecht
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS585736:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In deze zin ook Van Achterberg 1997, p. 192-193; Verstappen 2002, p. 91-92; Verbrugh 2007, p. 230 en Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/487. Zie ook Overes in GS Rechtspersonen, artikel 2:334t BW, aant. 3 (bijgewerkt tot 1 juli 2005) (over nieuwe verplichting tot schadevergoeding). Zie voor het ontstaansmoment van bepaalde belastingschulden in de context van art. 2:334t BW: Gerbers 2005. Over het ontstaansmoment van verbintenissen in het algemeen, zie 2.4.4.2 en 2.6.4. Zie ook Linse 2013 over de vraag naar het ontstaansmoment van aansprakelijkheid op grond van artikel 2:334t BW. Rb. Utrecht 21 januari 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BH0742(Kintent) raakt aan die vraag, maar komt aan beantwoording niet toe.
Enkele recente uitspraken over artikel 2:334r BW in de context van huurovereenkomsten: Hof Amsterdam 7 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2158(Erjeebee/Coltex en Didi), Hof Amsterdam 7 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2159(Erjeebee/Coltex en Superstar) en Hof Den Bosch 9 augustus 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:3612(Alri/Coltex en Forecast).
Van Olffen & Buijn 2004, p. 85. In dezelfde zin ook Van Luyn in zijn noot onderRb. Arnhem 1 juni 1999, JOR 1999/173(Norske/SEP).
Kamerstukken II 1995-1996, 24 702, nr. 3, p. 19 (zie ook p. 11); Verbrugh 2007, p. 231 e.v.
Aldus ook Van Olffen & Buijn 2004, p. 86 en Verbrugh 2007, p. 204.
Zie 5.5.4.3.
Art. 2:334k en 2:334l leden 1 en 3 BW. Voor de overzichtelijkheid laat ik art. 2:334j BW als grondslag voor het schuldeisersverzetsrecht buiten beschouwing.
De regels over kruisaansprakelijkheid (art. 2:334t BW) luiden als volgt. De verkrijgende rechtspersonen en de voortbestaande gesplitste rechtspersoon zijn aansprakelijk tot nakoming van de verbintenissen van de gesplitste rechtspersoon ten tijde van de splitsing (lid 1). Kruisaansprakelijkheid voor ondeelbare verbintenissen is voor het geheel (lid 2). Kruisaansprakelijk voor deelbare verbintenissen is beperkt tot de waarde van het vermogen dat bij de splitsing wordt verkregen of behouden (lid 3). De kruisaansprakelijkheid heeft een subsidiair karakter: de betrokken rechtspersoon is niet tot nakoming gehouden voordat de primair aansprakelijke rechtspersoon in de nakoming van de verbintenis is tekortgeschoten (lid 4). De wetsbepalingen over hoofdelijke verbintenissen zijn op de kruisaansprakelijkheid van overeenkomstige toepassing (lid 5). Op enkele punten van rechtsonzekerheid bij de uitleg van deze wetsbepalingen wil ik wijzen.
Wat in lid 1 precies wordt bedoeld met ‘verbintenissen van de gesplitste rechtspersoon ten tijde van de splitsing’, is niet helemaal duidelijk. In de MvT stelde de minister dat het wat hem betreft mede gaat om schulden die pas na de splitsing ontstaan, maar voortvloeien uit rechtsverhoudingen waarbij de splitsende rechtspersoon ten tijde van de splitsing partij was.1 Later heeft hij dit herroepen. Bij nader inzien gaf de MvT de hoofdregel niet geheel juist weer,2 aldus de minister, en gaat het in lid 1 om schulden die op het moment van splitsing al bestaan en niet om toekomstige schulden die nog niet zijn ontstaan.3 Over het ontstaansmoment van een schuld sprak de minister zich niet uit. Aangenomen wordt dat toekomstige termijnen onder een ten tijde van de splitsing bestaande duurovereenkomst (zoals een huurovereenkomst) buiten de kruisaansprakelijkheid vallen.4
Stel, na de splitsing wordt wanprestatie gepleegd onder een oude vordering van de gesplitste rechtspersoon, waarna de schuldeiser deze vordering omzet in een (nieuwe) vordering tot vervangende schadevergoeding. Hoewel die laatste vordering pas na de splitsing ontstaat, meen ik dat zij onder de kruisaansprakelijkheid valt. Anders zou de wanprestatie van de verkrijgende rechtspersoon worden beloond met een beëindiging van de aansprakelijkheid van de splitsende rechtspersoon. Dat lijkt niet de bedoeling. Men kan stellen dat de oorspronkelijk overeengekomen schuld ‘voortleeft’ in de verplichting tot schadevergoeding; een geval van ‘schuldvervanging’, het spiegelbeeld van zaaksvervanging.
De schuldeiser die met de splitsende rechtspersoon een rechtsverhouding heeft waaruit pas na de splitsing vorderingsrechten voortvloeien, staat niet in de kou. Het kan bijvoorbeeld gaan om een verhuurder van winkelruimte. Zoals gezegd, geldt de kruisaansprakelijkheid niet voor huurtermijnen die pas na de splitsing opkomen. Wel kan de verhuurder nog tot zes maanden na de splitsing bij de rechter wijziging of ontbinding van het huurcontract vorderen, als dit contract naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet of niet ongewijzigd in stand kan blijven (art. 2:334r BW).5
Een ander punt van rechtsonzekerheid betreft de omvang van de kruisaansprakelijkheid voor deelbare verbintenissen. Wordt deze omvang bepaald op basis van boekwaarde of op basis van de werkelijke waarde van het vermogen dat bij de splitsing wordt verkregen of behouden? Verschillende schrijvers hebben verdedigd, dat de waardering moet geschieden op basis van de waarde in het economische verkeer.6 De minister heeft zich beperkt tot de opmerking dat de rechter niet is gebonden aan de balanswaarde.7 Ik leid hieruit af dat de rechter enige ruimte heeft bij het bepalen van de te hanteren maatstaf. Het kan onder omstandigheden lastig zijn de werkelijke waarde achteraf nog vast te stellen.8
De reikwijdte van de kruisaansprakelijkheid kan worden bezien in samenhang met de vraag in hoeverre voor de kruisaansprakelijkheid een redelijke grond bestaat. Hierna zal ik verdedigen dat in artikel 2:334t BW een aanzienlijk overkill-element zit, vanwege de cumulatie met de schuldeisersverzetsprocedure.9 Daarom is het m.i. aangewezen om artikel 2:334t BW waar mogelijk restrictief uit te leggen. Wordt toegelaten dat een rechtsdrager splitst zonder de schuldeisersverzetsprocedure te volgen, dan wint de kruisaansprakelijkheid als middel tot bescherming van schuldeisers aan belang en kan een ruimere uitleg van artikel 2:334t BW gerechtvaardigd zijn.
De kruisaansprakelijkheid cumuleert naar huidig recht dus met het schuldeisersverzetsrecht. Dit verzetsrecht is gekoppeld aan het splitsingsvoorstel dat voorafgaand aan de splitsing openbaar gemaakt moet worden. De openbaarmaking geschiedt door nederlegging van het splitsingsvoorstel bij het handelsregister en aankondiging van die nederlegging in een landelijk verspreid dagblad. De besluiten tot splitsing mogen op zijn vroegst pas een maand later worden genomen en de akte van splitsing mag pas daarna worden gepasseerd.10 Het schuldeisersverzetrecht houdt in dat een schuldeiser binnen een maand na aankondiging van de nederlegging van het splitsingsvoorstel in verzet kan komen. Een dergelijk verzet wordt gegrond verklaard, indien de bij de splitsing betrokken rechtspersonen weigeren gehoor te geven aan een door de rechter gehonoreerd verzoek van de schuldeiser tot het verkrijgen van zekerheid of andere waarborg voor de voldoening van zijn vordering. De rechter honoreert een dergelijk verzoek niet, indien de schuldeiser voldoende waarborgen heeft of de vermogenstoestand van de rechtspersoon die na de splitsing zijn schuldenaar zal zijn niet minder waarborg zal bieden dat de vordering zal worden voldaan, dan er voordien is. Indien tijdig verzet is gedaan, mag de akte van splitsing eerst worden verleden, zodra het verzet is ingetrokken of de opheffing van het verzet uitvoerbaar is.11