Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/7.2.2:7.2.2 Pogingen tot het instellen van een boerkaverbod
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/7.2.2
7.2.2 Pogingen tot het instellen van een boerkaverbod
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS456413:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005/06, 29 754, nr. 41, zie ook motie-Wilders en Weekers, Kamerstukken II 2006/07, 29 754, nr. 88.
Deskundigenrapport: Vermeulen 2006. Bijlage bij Kamerstukken II 2006/07, 29 754, nr. 91.
Advies van de Raad van 6 mei 2008, W03.08 0028/II.
Advies van de Raad van 2 december 2009.
Regeerakkoord VVD-CDA, Vrijheid en verantwoordelijkheid, 30 september 2010, p. 26.
Regeerakkoord VVD-PVDA, Bruggen slaan, 29 oktober 2012, p. 31.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De geschiedenis van het eerste wetsvoorstel voor een boerkaverbod begint bij de motie van het Kamerlid Wilders in 2005 waarin het kabinet verzocht werd ‘het openbaar gebruik van de boerka te verbieden’. De Tweede Kamer nam deze motie aan.1 Het kabinet-Balkenende II liet vervolgens een commissie van rechtsgeleerden en islamkenners onderzoeken in hoeverre een dergelijk verbod juridisch haalbaar en wenselijk was. Deze commissie bracht op 3 november 2006 een rapport2 uit waarin onomwonden de boodschap naar voren kwam dat, gezien het fundamentele recht op de vrijheid van godsdienst en het in diverse verdragen en wetten neergelegde gelijkheidsbeginsel, het doel van dit verbod problematisch was. Bovendien betwijfelde de commissie de noodzaak van een dergelijk verbod in Nederland. Aangezien de toenmalige kabinetten (kabinet-Balkenende II en III) met dit advies in het achterhoofd voorzichtig waren deze motie uit te voeren, dienden de Kamerleden Wilders en Fritsma 12 juli 2007 alsnog een (initiatief-)wetsvoorstel in.3 Na een negatief wetgevingsadvies van de Raad van State, dat in belangrijke mate dezelfde kritiek uitte als het rapport van de commissie, werd de behandeling van dit voorstel gestaakt.4
Het tweede (initiatief-)wetsvoorstel dateert van 24 januari 2008 en werd ingediend door het Kamerlid Kamp. Dit voorstel had als inzet een algemeen verbod op gelaatsbedekkende kleding.5 Daarover bracht de Raad van State een niet-openbaar advies uit.6 Het derde voorstel van het kabinet-Balkenende IV van 8 februari 2008 had als oogmerk de gelaatsbedekkende kleding specifiek in het onderwijs en de ambtenarij te verbieden.7 Ook hierover werd door de Raad van State een niet-openbaar advies uitgebracht.8 De behandeling van het tweede en derde wetsvoorstel werd door de Tweede Kamer gestaakt na totstandkoming van het regeerakkoord van het kabinet-Rutte I dat in 2010 aantrad. Daarin werd een algemeen verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kleding aangekondigd.9
Dit voornemen mondde vervolgens uit in het vierde wetsvoorstel.10 Hierover heeft de Raad van State wel openbaar advies gegeven. Dit advies bouwt voort op de eerder genoemde adviezen en is kritisch over de juridische haalbaarheid en noodzaak van het verbod.11 Na het aantreden van het kabinet-Rutte II werd het vierde wetsvoorstel ingetrokken. Toch werd het voornemen tot het invoeren van een dergelijk verbod in het regeerakkoord van het kabinet-Rutte II wederom opgenomen.12 Dit leidde tot het vijfde wetsvoorstel.13 Ditmaal gaat het om een ‘beperkt’ verbod dat enkel ziet op het onderwijs, het openbaar vervoer, ziekenhuizen en in overheidsgebouwen. In tegenstelling tot het wetsvoorstel van de kabinet-Rutte I heeft het verbod geen betrekking op de overige publieke ruimte.14 Daarmee toont dit vijfde voorstel weer meer verwantschap met het derde regeringsvoorstel van het kabinet-Balkenende IV. Ook over het laatste wetsvoorstel is de Raad van State erg kritisch. Volgens de Raad zijn scholen, instellingen en organisaties met betrekking tot het openbaar vervoer en ziekenhuizen prima in staat om zelf regels te maken omtrent het wel of niet dragen van een boerka. De Raad stelt dat een verbod op gelaatsbedekkende kleding in aantal gevallen neerkomt op een beperking van de godsdienstvrijheid opgenomen in artikel 9 EVRM. Volgens de Raad is deze beperking vanuit het perspectief van artikel 9 lid 2 niet noodzakelijk in een democratische samenleving.15
Uit bovenstaande (aanhoudende) pogingen een verbod in te voeren blijkt dat het boerkaverbod controversieel is. Blijkbaar is de wens om een (geheel of partieel) verbod op gelaatsbedekkende kleding in te voeren bij een aanzienlijk aantal Kamerleden (en daarmee vermoedelijk ook bij een groot gedeelte van de bevolking) erg sterk, maar zit – gezien de negatieve adviezen van een deskundigencommissie en de Raad van State – de juridische werkelijkheid vol angels en voetklemmen, waardoor een dergelijk verbod een lastige onderneming blijkt.