Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/3.3.3
3.3.3 Roerende zaken
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264576:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Heusler 1886, p. 201-203; Génestal 1901, p. 21.
Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 894 (ad C. 4,24,3). Vgl. Heusler 1886, p. 201-203.
Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 893-894 (ad C. 4,24,2-4,24,3); Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 21-22 (ad C. 4,24,3). Vgl. Heusler 1886, p. 203.
Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 19-20 (ad C. 4,24,1-4,24,2). Vgl. Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 893-894 (ad C. 4,24,2-4,24,3); Bartolus, Super secunda digesti veteris, ad D. 13,7,15 en D. 13,7,24,3; Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 7.3.8; Heusler 1886, p. 202-203.
In het ius commune bestond weinig aandacht voor het recht van pandgebruik op roerende zaken. Roerende zaken waren in de inheemse rechtspraktijk bovendien zelden het voorwerp van een recht van pandgebruik.1 De verklaring hiervoor is dat roerende zaken sleten als zij werden gebruikt. Een pandhouder was niet van rechtswege bevoegd tot pandgebruik als het pandobject door gebruik zou slijten.2 Als de waarde van de roerende zaak inderdaad door slijtage verminderde doordat de pandhouder hem gebruikte, was de pandhouder bovendien voor deze waardevermindering aansprakelijk jegens de pandgever met de actio pigneraticia directa, of zelfs op grond van furtum usus.3
Het vestigen van een recht van pandgebruik op een roerende zaak was in de praktijk dus onaantrekkelijk. Dit kan verklaren waarom auteurs uit het ius commune zich nauwelijks bezighielden met het recht van pandgebruik op roerende zaken. Een tweede verklaring is dat het Corpus Iuris Civilis geen teksten bevatte die uitdrukkelijk gingen over het recht van pandgebruik op roerende zaken. Het ligt voor de hand dat commentatoren geen noodzaak zagen zich uit te laten over een kwestie die niet voorkwam in het Corpus Iuris Civilis.
De enige categorie roerende zaken die in de literatuur voorbijkwam als object van pandgebruik was vee. Donellus merkte op dat de pandhouder dit vee diende te gebruiken. De waarde die de arbeid van het vee creëerde, gold als vrucht van het verpande vee. Op dit punt leek Donellus aan te sluiten bij de uitoefening van het recht van pandgebruik op een slaaf, dat in het Romeinse recht wel was uitgewerkt.4 Daarnaast golden de jongen van verpand vee mogelijk als vruchten die toekwamen aan de pandgebruiker. Mij zijn echter geen bronnen van ius commune bekend die dit bevestigen.