Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/3.3.1
3.3.1 Onroerende zaken
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264530:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1890 (ad D. 20,1,11,1); Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 893-894 (ad C. 4,24,2) en p. 2097-2098 (ad C. 8,14(13),9); Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 19-22, nr. 1-2 (ad C. 4,24,1-4,24,3) en p. 395-396 (ad C. 4,32,11(12); Heusler 1886, p. 131 en 201-202; Génestal 1901, p. 5 en 21-22; Van Werveke 1929, p. 74-84; Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 346; Planitz 1982, p. 36-39, 43-44, 47, 57-58; Heirbaut 2000, p. 193.
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1401 (ad D. 13,7,15); Génestal 1901, p. 31-32.
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1890 (ad D. 20,1,11,1).
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1890 (ad D. 20,1,11,1); Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 960 (ad C. 4,32,17); Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 19-22 (ad C. 4,24,1-4,24,3).
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1412-1413 (ad D. 13,7,35,1), 1890 (ad D. 20,1,11,1), 1899-1900 (ad D. 20,1,23); Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 19-20, nr. 1-2 (ad C. 4,24,1-4,24,2).
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1890 (ad D. 20,1,11,1); Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 905-906 (ad C. 4,26,6); Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 958-959 (ad C. 4,32,14); Bartolus, In primam codicis partem, ad C. 4,32,14; Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 5.5.7; Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 405-408 (ad C. 4,32,14). Vgl. Planitz 1982, p. 129-132-134. De manier waarop de gelijkstelling van woongenot aan potentiële huuropbrengst zich verhield tot het rentepandgebruik bespreek ik in §3.4.2-3.4.4.
Génestal 1901, p. 31 en p. 41-42.
De Groot, Inleydinge, nr. 2.41.48-50; De Blécourt 1939, p. 301-302; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 2.41.48-50; Visagie 1974, p. 122-129. Een uitgebreide uiteenzetting van deze plichten van de leenman is te vinden in Bort, Alle de wercken, nr. 6.4.1-6.4.4; Ganshof 1982, p. 118-149.
Onroerende zaken waren belangrijke vermogensbestanddelen voor de toepassing van het recht van pandgebruik. Een stuk grond bracht naar zijn aard veelal een constante inkomensstroom voort. Dit was aantrekkelijk voor de pandgebruiker. De periodieke inkomsten bestonden uit natuurlijke vruchten of burgerlijke vruchten. De bevoegdheden van de pandgebruiker zagen op het innen van deze vruchten.1 Voorts was de pandgebruiker bevoegd rechten uit te oefenen die afhankelijk waren van het bezwaarde goed, zoals een erfdienstbaarheid.2
De pandgebruiker van een stuk grond was bevoegd tot het bewerken van grond, het verhuren of verpachten van een onroerende zaak en het bewonen van een huis.3 Als de pandgebruiker zelf de grond bewerkte, kon hij later de natuurlijke vruchten van de grond oogsten.4 Verhuurde of verpachtte de pandgebruiker een onroerende zaak, dan inde hij in de vorm van huurpenningen de burgerlijke vruchten van de onroerende zaak.5 Als de pandgebruiker een huis bewoonde, inde hij in principe geen vruchten. Wel had hij het woongenot. De waarde van dit woongenot werd gelijkgesteld aan de opbrengst die de pandgebruiker door verhuur had kunnen verkrijgen.6 Een voorbeeld van een recht van pandgebruik op een onroerende zaak betreft de Arnhemse pandakte uit 1306 die ik heb geciteerd in §3.2.1.
Rustte het pandrecht op de juridische eigendom (dominium directum) van de leenheer, dan was de pandhouder bevoegd de rechten uit de juridische eigendom uit te oefenen. De belangrijkste consequentie hiervan was dat de pandgebruiker gerechtigd was tot hulde, hofrechten en heergewaden.7 Dit waren verplichtingen die de leenman van een stuk grond had aan de leenheer. Hulde was een eed van trouw, heergewaden waren vastgestelde geschenken of een som geld als betoon van dank aan de leenheer, hofrechten waren leges voor de investituur van de leenman.8