Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VI.3.4
VI.3.4 Intensiveren van ‘versterkt collegiaal toezicht’
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242829:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Dit speelde bijvoorbeeld in Rb. Midden-Nederland 19 juni 2013, JOR 2013/237 m.nt. Verboom (Landis); en Rb. Amsterdam 30 september 2015, JOR 2016/182 m.nt. Van Bekkum (Fairstar/ Dockwise). Vgl. voorts HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466 m.nt. Maeijer (Ogem II); en Hof Amsterdam (OK) 28 december 2006, JOR 2007/67 (KPN Qwest).
Ik ontleen deze voorbeelden aan Stolp, WPNR 2015/7045.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 16 oktober 2003, JOR 2003/260 m.nt. Brink (Laurus); en Rb. Utrecht 12 december 2007, JOR 2008/10 m.nt. Bartman (Ceteco). Ook deze voorbeelden noemde Stolp in WPNR 2015/7045. Andere red flags zijn volgens haar het meerdere malen afwijken van beleidsplannen en budgetten, liquiditeitskrapte, het oprekken van de financiële spankracht en signalen van de accountant.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 6 januari 2005, JOR 2005/6 m.nt. Josephus Jitta (Ahold); en Hof Amsterdam (OK) 15 februari 2013, JOR 2013/102 m.nt. Strik (Van der Moolen). Zie voorts Rb. Utrecht 12 december 2007, JOR 2008/10 (Ceteco); en Rb. Midden-Nederland 19 juni 2013, JOR 2013/237 (Landis).
Ik ontleen ook deze voorbeelden aan Stolp, WPNR 2015/7045. Zie bijvoorbeeld HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466 (Ogem II); Rb. Utrecht 12 december 2007, JOR 2008/10 (Ceteco); en Rb. Midden-Nederland 19 juni 2013, JOR 2013/237 (Landis).
Idem onder anderen Lennarts & Roest 2016, p. 124; en Olaerts, TvOB 2012, afl. 6, p. 175.
Vgl. Stolp, WPNR 2015/7045.
Vgl. Stolp, WPNR 2015/7045; en Verboom 2017, p. 232.
De niet-uitvoerende bestuurders kunnen niet altijd volstaan met het houden van ‘versterkt collegiaal toezicht’ op de uitvoerende bestuurders. In sommige gevallen behoren zij de uitvoerende bestuurders korter aan de teugel te nemen.
Uit de rechtspraak is een aantal gevallen te destilleren waarin de raad van commissarissen zijn toezicht behoort te intensiveren. Allereerst behoren commissarissen zich actiever op te stellen als de vennootschap in financieel zwaar weer komt te verkeren en/of de continuïteit van de vennootschap in gevaar komt.1 Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer de vennootschap een slechte financiële positie heeft of wanneer er alarmerende verliesposten zijn.2 Ook al in de fase die daaraan voorafgaat behoort de raad van commissarissen zijn toezicht te intensiveren. Te denken valt aan de situatie waarin is gekozen voor een risicovolle strategie of wanneer de raad van commissarissen weet dat de partij waarmee de vennootschap een overeenkomst aangaat in liquiditeitsproblemen verkeert.3 Ten slotte moet de raad van commissarissen actiever toezicht houden wanneer bijvoorbeeld sprake is van een snelle en omvangrijke expansie van de onderneming.4
Niet alleen in voornoemde gevallen dienen commissarissen hun toezicht te intensiveren. Ook wanneer de vennootschap niet in een bijzondere fase verkeert, is onder omstandigheden intensief toezicht vereist. Zo behoren de commissarissen een tandje bij te zetten wanneer zij vermoeden dat een bestuurder zijn taak niet naar behoren vervult, de administratie niet op orde is en/of zij onvolledige of onjuiste informatie ontvangen.5
Hoewel rechtspraak ontbreekt, ga ik ervan uit dat de niet-uitvoerende bestuurders hun toezicht in bovenstaande situaties eveneens behoren te intensiveren.6 Dit houdt in dat zij niet langer genoegen mogen nemen met de informatie die zij ontvangen, maar kritische vragen moeten stellen en zo nodig zelf informatie moeten opvragen.7 Zijn de niet-uitvoerende bestuurders niet tevreden met de respons van de uitvoerende bestuurders op het geïntensiveerde toezicht, dan dienen zij de uitvoerende bestuurders bij te sturen. Is zelfs dat niet voldoende, dan behoren de niet-uitvoerende bestuurders in te grijpen.8 In zoverre bestaat er een glijdende schaal in de intensiteit van het uit te oefenen toezicht. Zij gaat van een normale controle naar het opvragen van (extra) informatie en het stellen van kritische vragen, naar het geven van richting en in het uiterste geval naar ingrijpen. Ik kom hier in § VII.3.2.5.c op terug.