Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/9.2.4
9.2.4 De wetswijziging van 1994
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS373443:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1991-1992, 22 400, nr. 3 (MvT), p. 2.
Wet wijziging en aanvulling van de regeling van het recht van enquête (Aanvullingswet) van 8 november 1993, Stb. 597, in werking getreden op 1 januari 1994.
Kamerstukken II 1991-1992, 22 400, nr. 3 (MvT), p. 2.
SER-advies 1988/14. Dit advies leidt tot een uitbreiding van het toepassingsbereik van het enquêterecht naar stichtingen en verenigingen (Bij de Wet wijziging en aanvulling van de regeling van het recht van enquête (aanvullingswet) van 8 november 1993, Stb. 597, in werking getreden op 1 januari 1994).
Kamerstukken II 1991-1992, 22 400, nr. 3 (MvT), p. 4-5.
SER-advies 1989/21, p. 13.
De huidige tekst van art. 2:347 BW is vastgesteld bij de wet van 8 november 1993, Stb. 1993, 597. In de oude wet was in gelijkluidende bewoordingen de bevoegdheid van werknemersorganisaties om een enquête te vragen bij de NV en de BV geregeld in art. 2:346 en bij de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij in art. 2:347.
Kamerstukken II 1991-1992, 22 400, nr. 3 (MvT), p. 13.
Kamerstukken II 1991-1992, 22 400, nr. 3 (MvT), p. 4.
In de jaren tachtig komt de enquêtebevoegdheid van vakbonden opnieuw aan de orde.1 Het zijn de vakbonden zelf die de aanzet geven tot deze herziening en de daaropvolgende wetswijziging in 1994.2 Zij uiten de wens om het enquêterecht voor vakbonden uit te breiden tot alle ondernemingen, ongeacht de rechtsvorm. De minister ziet hierin aanleiding om een voorontwerp van wet ter consultatie te publiceren. De in 1982 ingekomen reacties op dit voorontwerp zijn verdeeld. De toenmalige Minister van Justitie, Korthals Altes, acht het daarom raadzaam om zich door de SER te laten adviseren over een herziening van enquêterecht.3 De SER adviseert vervolgens over het toepassingsbereik van het enquêterecht, de enquêtebevoegdheid van de ondernemingsraad en de samenloop van het enquêterecht met art. 26 WOR.4 Zowel de SER als de wetgever wijzen de toekenning van de enquêtebevoegdheid aan de ondernemingsraad af.5 Ik kom hierop terug in § 9.8.
In een aanvullend advies over de herziening van het enquêterecht in 1994 signaleert de SER dat er onbevredigende situaties kunnen ontstaan als een vakbond geen leden heeft bij de moedervennootschap en zij daar geen enquête kan verzoeken.6 Ook de wetgever spreekt zich in de parlementaire geschiedenis uit over de enquêtebevoegdheid van de vakbonden in concernverhoudingen. Ik kom hierop terug in § 9.5.
Bij de aanpassing van het enquêterecht in 1994 vinden overigens geen inhoudelijke wijzigingen plaats in art. 2:347 BW.7 In de oude wet is de enquêtebevoegdheid van werknemersorganisaties bij een NV of BV geregeld in art. 2:346 BW en bij een coöperatie of een onderlinge waarborgmaatschappij in gelijkluidende bewoordingen in art. 2:347 BW. Om deze herhaling te vermijden is deze bevoegdheid in 1994 in een afzonderlijk artikel opgenomen. Daarmee wordt volgens de toelichting tevens “een enigszins sterker accent gelegd op de eigen plaats die in het enquêterecht aan de bevoegdheid van de vakorganisaties toekomt. Nu blijkt dat deze allengs het enquêterecht als een effectief instrument van medezeggenschap zijn gaan beschouwen en daarvan ook regelmatig gebruik maken, lijkt voor deze nieuwe presentatie in de wettelijke regeling alle reden te bestaan.”8 De minister is dan ook van mening dat het enquêterecht voor vakbonden een belangrijk middel is geworden om bij (dreigend) wanbeleid te kunnen ingrijpen in de gang van zaken binnen een onderneming.9