Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.8.2.1
3.8.2.1 Handelen als derde en verhaal op de schuldenaar
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS496267:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Een strijdpunt in de literatuur is of degene die een Leistung verricht ná de betaling zijn verklaring dat een bepaalde schuld (zijn eigen of eens anders schuld) wil nakomen, kan wijzigen. Daarmee zou degene die betaalt een andere schuld kunnen nakomen. Dat kan hem bepaalde voordelen brengen. Stel bijvoorbeeld dat A meende een schuld te hebben aan C en C betaalt. Wanneer blijkt dat A geen schuld aan C had, kan A een condictio indebiti instellen tegen C. De auteurs zijn verdeeld. Tegenstanders ( Lieb 2004, §812, nr. 76 e.v.; Medicus 2004, nr. 722) wijzen erop dat een eenzijdige wijziging van deze rechtshandeling niet past in het vermogensrechtelijke systeem, omdat andere wilsverklaringen ook niet naar believen kunnen worden gewijzigd. Ook betogen deze auteurs dat de mogelijkheid tot wijziging bij een faillissement van C tot doorbreking van de paritas creditorumregel kan leiden. Indien C insolvent is, is het namelijk voor A interessant om aan te voeren dat hij de schuld van B die wél solvent is, heeft willen betalen in plaats van zijn eigen vermeende schuld. A heeft in dat geval verhaal op B. Voorstanders (Reuter & Martinek 1983, p. 477) wijzen erop dat een wijzigingsmogelijkheid veel rompslomp kan besparen, omdat A ook kan terugvorderen van C, en dan vervolgens alsnog de schuld van B aan C kan betalen. De wijziging zou daarom als een wijziging met werking ex nunc mogelijk moeten zijn, behalve in geval van faillissement van C.
BGHZ 106, 163.
Voorbeeld ontleend aan BGH WM 1975, 1235, waar het BGH aldus besliste.
Van een betaling door een derde in de zin van § 267 is alleen sprake als de derde uit eigen beweging de schuld betaalt; dat wil zeggen dat de schuldenaar niet de derde een opdracht moet hebben gegeven of een bindend verzoek moet hebben gedaan, omdat anders sprake is van een betaling op aanwijzing. De derde moet daarom duidelijk de schuld van de schuldenaar aanwijzen als de schuld die hij als derde wil nakomen. Deze verklaring wordt de delgingsverklaring genoemd. Zij is een rechtshandeling, omdat de verklaring als rechtsgevolg heeft dat een bepaalde schuld teniet gaat bij betaling.1
De auteurs zijn het er over eens zijn dat een delgingsverklaring in principe vernietigbaar als is voldaan aan de vereisten van de vernietigingsgronden. Dit betekent bijvoorbeeld dat wanneer de wettelijke vertegenwoordiger van een minderjarige de verklaring vernietigt, de minderjarige niet als derde heeft betaald. Hij heeft ook niet een eigen schuld betaald, zodat hij zijn prestatie kan terugvorderen.2
Als A duidelijk en op rechtsgeldige wijze als derde een schuld heeft voldaan, mag een gebrekkige reden of motief van A om een schuld van B te voldoen geen gevolgen hebben voor C. C heeft immers gekregen waar hij recht op had. Stel dat A bijvoorbeeld een verzekeraar is die de schade van C heeft vergoed, waarvoor B aansprakelijk was. Als A er achter komt dat hij jegens B niet verplicht was tot vergoeding van C’s schade omdat B verzuimd heeft de premie te betalen, kan A niet van C terugvorderen.3
Wij zagen al in paragraaf 3.5.5 dat wanneer A als derde een schuld nakomt, hij een Rückgriffskondiktion tegen B heeft als hij zich niet op een wettelijk regresrecht kan beroepen of subrogeert in de vordering van C op B. B kan dan jegens A de verweren voeren waarop hij zich ook jegens C had kunnen beroepen.