Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.2.4.3.2
4.2.4.3.2 Bestaat de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen ongeacht de aard van de toekomstige aantasting?
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS442565:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie het in paragraaf 3.2.7.1 aangehaalde citaat en de overige daar genoemde rechtspraak. Dat de overheid bij een reëel en onmiddellijk gevaar voor beschadiging (of verwoesting) van een woning, waarvan zij op de hoogte is of zou moeten zijn, onder art. 8 EVRM de positieve verplichting heeft om die toekomstige aantasting door middel van redelijke concrete handelingen te voorkomen blijkt uit EHRM 28 februari 2012, Kolyadenko e.a./Rusland, r.o. 214-217 (zaaknr. 17423/05). Zie over dit arrest uitgebreid paragraaf 4.2.2.4.
Zie paragrafen 4.2.2.2, 4.2.2.4 en 4.2.4.1.
De rechtspraak van het ehrm geeft aanleiding om te veronderstellen dat het bestaan van de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen mede afhankelijk is van de aard van de aantasting. Bij mijn weten heeft het ehrm onder artikel 2evrm en artikel 8evrm vooralsnog namelijk enkel geoordeeld dat de overheid concrete handelingen moet verrichten die redelijk zijn en waartoe zij bevoegd is, indien sprake is van een reëel en onmiddellijk gevaar voor het leven, de lichamelijke integriteit en/of de woning en de overheid dit gevaar kende of behoorde te kennen.1 Bij toekomstige aantastingen die niet bestaan uit aantastingen van het leven, de lichamelijke integriteit en/of de (beschadiging of verwoesting van de) woning lijkt onder artikel 2 evrm en artikel 8 evrm derhalve geen positieve verplichting te bestaan om die toekomstige aantastingen door middel van concrete handelingen te voorkomen. Indien deze conclusie juist is, is zij vooral voor artikel 8 evrm relevant. In omgevingsgerelateerde situaties beschermt dit artikel immers niet alleen de lichamelijke integriteit en de woning als fysiek object, maar ook andere aspecten van het privéleven en de woning. Bij toekomstige aantastingen van het welzijn (dan wel de kwaliteit van leven) en/of het rustige genot van de woning (bijvoorbeeld als gevolg van geluidhinder of stankhinder) zou dan geen positieve verplichting bestaan om die toekomstige aantastingen door middel van concrete handelingen te voorkomen.
Ook onder artikel 1ep lijkt het bestaan van de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen afhankelijk van de aard van de aantasting. Uit het arrest-Öneryildiz/ Turkije en het arrest-Kolyadenko e.a./Rusland valt, zoals eerder gebleken is, af te leiden dat uit artikel 1 ep een positieve verplichting voortvloeit om concrete handelingen te verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen en dat die verplichting dezelfde begrenzing kent als de corresponderende positieve verplichtingen onder artikel 2evrm en artikel 8evrm.2 In die arresten was sprake van een dreigende verwoesting van eigendom (Öneryildiz/ Turkije) dan wel van een dreigende beschadiging van eigendom (Kolyadenko e.a./Rusland). Mogelijk is de overheid onder artikel 1 ep daarom enkel verplicht om concrete handelingen te verrichten die redelijk zijn en waartoe zij bevoegd is, indien sprake is van een reëel en onmiddellijk gevaar voor de verwoesting of beschadiging van eigendom en de overheid dit gevaar kende of behoorde te kennen. Als dit zo is, zou bij andere soorten toekomstige aantastingen van het eigendomsbelang (bijvoorbeeld een loutere waardedaling als gevolg van overlast van activiteiten in de buurt) geen positieve verplichting bestaan om die toekomstige aantastingen door middel van concrete handelingen te voorkomen.
Op zich lijkt het gerechtvaardigd de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten te beperken tot reële en onmiddellijke gevaren voor het leven, de lichamelijke integriteit en/of de verwoesting of beschadiging van de woning en/of eigendom. Dit zijn immers ernstige en dikwijls onomkeerbare aantastingen van de door artikel 2evrm, artikel 8evrm en/of artikel 1ep beschermde belangen. Effectieve bescherming vereist dan dat aantastingen zoveel mogelijk worden voorkomen door vroegtijdige interventie van de overheid. Aantastingen van het welzijn (dan wel de kwaliteit van leven), het rustige genot van de woning en/of de enkele waarde van eigendom zijn minder ernstig en kunnen (in ieder geval voor de toekomst) ongedaan gemaakt worden. Effectieve bescherming vereist dan minder dringend preventieve interventie van de overheid. Effectieve bescherming is in dat geval ook nog mogelijk, indien de overheid pas intervenieert na het ontstaan van de aantasting en haar voortvarend beëindigt door het verrichten van concrete handelingen. Vooralsnog is uit de rechtspraak van het ehrm echter niet met zekerheid af te leiden dat de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten inderdaad beperkt is tot reële en onmiddellijke gevaren voor het leven, de lichamelijke integriteit en/of de verwoesting of beschadiging van de woning en/of eigendom.