Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/4.4.3
4.4.3 Opvatting van sommigen in de literatuur: interpretatie maakt uitzonderingen overbodig
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS361967:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Dit komt ook kort aan de orde in hoofdstuk 3, par. 3.5.2.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/365; dit blijkt ook uit ook het bestaan van art. 6:2 lid 2 BW (ook in die zin Schoordijk 1979, p. 39-43 en Van Dunné 2004, deel 2, p. 94), en bijv. uit Kamerstukken I 1979/80, 7729, 59 herdruk, p. 10, waar de visie van Schoordijk wordt verworpen onder verwijzing naar de jurisprudentie.
Van Dunné 1971; Van Dunné 1974; Van Dunné 1980; Van Dunné 1993; interview met Van Dunné 1995; Van Dunné 2004, deel 1, p. 133-225; Van Dunné 2004, deel 2, p. 82-96.
Schoordijk 1982; Schoordijk 1993; Schoordijk 2005; Schoordijk 2006.
Schoordijk 1979, p. 36.
Van Dunné 1971, p. 8-10, 198, 439-443; Van Dunné 1974; Van Dunné 1980, p. 673.
Schoordijk 1979, p. 42.
Van Dunné 2004, deel 1, p. 146 e.v.; Van Dunné 2004, deel 2, p. 88; HR 20 mei 1949, NJ 1950/72, m.nt. Ph.A.N. Houwing (Rederij Koppe).
Par. 4.4.2 en hoofdstuk 3, par. 3.5.2.
En zoals Schoordijk aannam; de rechter mocht volgens hem wetsbepalingen normatief interpreteren en er de redelijkheid en billijkheid ‘al inlezen’ (zie hierna), maar mocht geen voorschriften buiten toepassing laten op andere manieren dan door interpretatie, omdat de rechter slechts als taak heeft de wet toe te passen. Schoordijk achtte art. 6:2 lid 2 BW zelfs ‘een gevaarlijke vrijbrief aan rechters’, waardoor ‘de rechtsstaat op de tocht [zou] staan’ (Schoordijk 1982, p. 163).
Hoofdstuk 3, par. 3.5.2.
Ook in die zin Kamerstukken I 1979/80, 7729, 59 herdruk, p. 10, waar de wetgever de visie van Schoordijk verwierp onder verwijzing naar de jurisprudentie.
Sommigen zien of zagen interpretatie als volwaardig alternatief voor uitzonderingen op grond van de redelijkheid en billijkheid,1 zodat artikel 6:2 lid 2 BW) overbodig is. Dit is de normatieve uitlegmethode, die overigens geen geldend recht is.2 Belangrijke aanhangers zijn Van Dunné3 en Schoordijk.4 Volgens hen moet de rechter contractsbepalingen en wettelijke voorschriften altijd met behulp van de redelijkheid en billijkheid uitleggen, zodat een uitzondering vanwege de redelijkheid en billijkheid (en art. 6:2 lid 2 BW) niet meer nodig is. Schoordijk noemt dit ‘interpreteren naar normen van het recht’,5 wat wil zeggen dat de rechter niet slechts aandacht moet besteden aan de (subjectieve) oorspronkelijke wil van de opsteller van een voorschrift (historisch-psychologische uitleg), maar dat bepalend moet zijn hoe deze wil door derden mag worden opgevat, in aanmerking genomen de beginselen van redelijkheid en billijkheid. Daardoor is de rechter niet strikt gebonden aan de tekst van het voorschrift (en de bedoeling die de wetgever ooit had), maar doet hij uitspraken die onder de actuele omstandigheden billijk zijn.6 De rechtszekerheid van de tekst van wetgeving is van ondergeschikt belang; Schoordijk stelt dat ‘lettertekens, die tot ons komen, ongeacht of zij nu van een partij dan wel van een wetgever afkomstig zijn, altijd bezien dienen te worden door de bril van de gerechtigheid’.7
Volgens Van Dunné interpreteerde de Hoge Raad een beding uit een overeenkomst normatief in een zaak waarin volgens een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering van een verzekeraar betaling werd gevorderd van een bedrag dat was uitbetaald aan twee slachtoffers van een ongeval.8 De verzekeraar beriep zich op het beding dat niet zou worden uitgekeerd als de premie te laat was betaald. Volgens het hof bracht de goede trouw met zich dat een dergelijk beroep was beperkt tot de gevallen waarin dat ‘redelijk is te achten’; het onderhavige beroep was ‘in ieder geval niet in overeenstemming met de goede trouw’. De verzekering liep al jaren, eerdere vertragingen in de betaling waren net als de huidige veroorzaakt door de oorlog, verzekerde stond bekend als kredietwaardig, er waren niet of nauwelijks aanmaningen geweest en de verzekeraar had enkele dagen voor het ongeval nog een mededeling gedaan waaruit de verzekerde mocht afleiden dat er geen problemen waren. De Hoge Raad liet het arrest in stand en betrok de goede trouw (nog duidelijker dan het hof) bij de interpretatie: hij nam aan dat het hof het beding had uitgelegd overeenkomstig de goede trouw. Hoewel de Hoge Raad erkende dat het beding ‘letterlijk genomen’ bepaalde dat de verzekerde buiten de termijn zijn aanspraak op schadeloosstelling verliest, bracht ‘een redelijke uitleg’ mee dat het beding werd verstaan in de betekenis die in de verzekeringswereld eraan werd gehecht, namelijk dat de verzekeraar na afloop van de termijn een aanspraak van de verzekerde mag afwijzen indien dat redelijk is te achten.
Normatieve interpretatie kan corrigerend zijn, zoals blijkt in bovenstaand arrest. Aan normatieve interpretatie wil ik dan ook dezelfde contra-indicatie verbinden als aan corrigerende interpretatie: gekunstelde interpretaties zijn in principe onwenselijk en een uitzondering verdient dan de voorkeur.9 Aanhangers van de normatieve uitlegmethode gaan hieraan voorbij. Bovendien is hun argument dat interpretatie minder autonome rechtsvinding oplevert dan een uitzondering op basis van de redelijkheid en billijkheid,10 onjuist. De constitutionele eisen aan uitzonderingen en corrigerende interpretatie zijn dezelfde.11
De wetgever heeft dan ook afstand genomen van de normatieve uitlegmethode, aangezien bepalingen als artikel 6:2 lid 2 BW niet nodig zouden zijn als de rechter altijd door interpretatie een billijke beslissing zou kunnen nemen.12 Ook de Hoge Raad past de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid toe en wijst daarmee normatieve interpretatie af.