Wie heeft de leiding?
Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/1.2.3:1.2.3 Verduidelijking onroerende status netten
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/1.2.3
1.2.3 Verduidelijking onroerende status netten
Documentgegevens:
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS617281:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitgebreider hierover par. 2.1.2.2 en 3.1.1.1.
HR 6 juni 2003, BR 2003, nr. 188 en 189, m.nt. A.A. van Velten.
Zie onder meer het Financiële Dagblad van 13 juni 2003.
Kamerstukken II 2003/04, 28 851, nr. 30.
Kamerstukken II 2003/04, 29.387, nr. 1, brief van 19 december 2003 inzake de herziening van hoofdstuk 5 van de Tw (graafrechten).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De derde, veelbetekende, gebeurtenis betreffende kabels en leidingen, zijn de twee spraakmakende arresten die de Hoge Raad op 6 juni 2003 wees op het gebied van het fiscaal recht. In deze arresten oordeelde de Hoge Raad door toepassing van de Portacabin-vereisten1 dat een in de grond aangelegde centrale antenne inrichting (CAI), ofwel een (telecom)netwerk, als een onroerende zaak moet worden beschouwd.2 Hiermee kwam een einde aan de (veelal in de literatuur gevoerde) discussie over de onroerende status van netten. Kort gezegd betekenden deze uitspraken dat voor de overdracht van een openbaar telecommunicatie netwerk een notariële akte nodig is, gevolgd door inschrijving van de akte in de openbare registers. Daarnaast zou het mogelijk zijn dat openbare telecommunicatie netwerken bij overdracht belast zouden worden met overdrachtsbelasting en zouden gemeenten voortaan onroerende-zaakbelasting op kabel- en leidingnetwerken kunnen heffen. In de kranten3 werd gewaarschuwd dat deze arresten een 'carrousel van belastingaanslagen en claims op de telecommunicatie- en kabel-tv-netwerken' tot gevolg zou hebben. Ook in politiek Den Haag bleven de arresten van de Hoge Raad niet onopgemerkt. Het Tweede Kamer lid Blok diende tijdens de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Tw4 een amendement in met de strekking dat kabels in de zin van de Tw (expliciet) als roerende zaken moesten worden aangemerkt. Volgens Blok zou de 'wijziging' van de onroerende status van netten, ten opzichte van de sinds het begin van de vorige eeuw bestaande situatie dat kabels in het algemeen als roerende zaken worden beschouwd, gelet op de daarop gebaseerde handelspraktijk, onwenselijk zijn. Het genoemde amendement is op verzoek van de minister van EZ niet in stemming gebracht. De reden hiervoor was de complexiteit van het onderwerp en de daardoor moeilijk te overziene gevolgen van een dergelijk amendement, aldus de minister. In een brief aan de Tweede Kamer5 gaf de minister aan dat, hoewel nader onderzoek nodig was, kabelnetwerken als onroerende zaken moeten worden beschouwd. In hoofdstuk 3 wordt de casus van de twee arresten en de gevolgen ervan verder uitgewerkt.