De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/2.3:2.3 De interpretatie van het nieuwe verjaringsrecht
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/2.3
2.3 De interpretatie van het nieuwe verjaringsrecht
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS365310:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het nieuwe verjaringsrecht kent 21 artikelen (art. 3:306 — 3:326 BW). Omdat dit deel van mijn proefschrift voor de praktijkjurist bestemd is, zal ik slechts die artikelen bespreken die in de praktijk het meest problematisch zijn gebleken.
Vrij kort zal worden ingegaan op art. 3:307 BW (verjaring van de vordering tot nakoming). Met name gaat het daar om het aanvangsmoment van vijfjaarstermijn. Tevens wordt de 'interactie' met de art. 6:89 en 7:23 BW genoemd; als de crediteur de veel kortere vervaltermijn van die bepalingen laat verstrijken, komt men aan de vijfjaarstermijn in het geheel niet meer toe.
De nadruk zal gelegen zijn op art. 3:310 BW, omdat dat met voorsprong de meest toegepaste en meest problematische termijn is, dat laatste met name vanwege zijn wellicht niet optimale bewoordingen. Uitgebreid wordt stilgestaan bij het aanvangsmoment van de vijfjaarstermijn en de mogelijkheid om de twintig- en dertigjaarstermijn buiten toepassing te laten.
Ten slotte gaat vrij uitvoerig aandacht uit naar de stuitingsartikelen, omdat ook die in de praktijk van groot belang zijn, de bewoordingen van de wet soms aanleiding tot verwarring geven en bovendien de rechtspraak niet op alle punten bevredigt.