Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/6.3.1
6.3.1 Vereniging in de zin van art. 11 EVRM
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS367284:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 5.3.2.
EHRM 29 april 1999, appl.nrs. 25088/94, 28331/95 en 28443/95 (Chassagnou), r.o. 100.
EHRM 20 december 2001, appl. no. 44158/98, r.o. 55. Deze rechtsoverweging kwam niet ter discussie toen de Grote Kamer van het EHRM zich bij arrest van 11 februari 2004 over deze zaak boog (appl.nr. 44158/98).
De Europese Commissie voor de Rechten van de Mens beoordeelde tot 1998 de ontvankelijkheid van bij het EHRM ingediende klachten.
Zie Van Dijk en Van Hoof, par. 15.4.2. Het gaat om uitspraken uit 1979, respectievelijk 1978.
EHRM 12 december 2002, JOR 2003/224 m.nt. Vossestein (Cesnieks). Zie over dit arrest ook par. 5.3.5.1 en 5.3.5.7.
Zie over de toepasselijkheid van het enquêterecht op dergelijke rechtspersonen par. 2.5.1.
Zie over de negatieve vrijheid van verenging par. 6.2.1 en 6.5.4.
Zie bijvoorbeeld Dijk/Van der Ploeg, par. 1.3 en Asser/Maeijer & Kroeze 2-I*, nrs. 215 en 430.
Zie ook par. 6.3.2 e.v.
Zie Van Dijk en Van Hoof, par. 15.4.2.
Zie dienaangaande ook par. 6.4.3.
Vgl. HvJEG van 10 september 2009, NJ 2009, 572 (Akzo Nobel e.a.) waarin wordt herhaald dat het begrip ‘onderneming’ in het mededingsrecht een zelfstandige betekenis heeft (“elke eenheid omvat die een economische activiteit uitoefent”) en dat ook een groep van rechtspersonen als één onderneming kan worden aangemerkt.
In par. 2.5.1 werd uitgelegd op welke (Nederlandse) rechtspersonen het enquêterecht van toepassing is. Het onderscheidende criterium is of zij een onderneming in stand houden. Dit onderzoek is verder beperkt tot de NV en de BV. Dergelijke rechtspersonen kwalificeren niet noodzakelijkerwijs als vereniging in de zin van art. 11 EVRM.
Net als het begrip “eigendom” in de zin van art. 1 EP1 niet moet worden verward met het Nederlandse goederenrechtelijke recht eigendom, mag ook het begrip “vereniging” in de zin van art. 11 EVRM niet worden verward met de vereniging als bedoeld in Titel 2:2 BW en mogelijk zelfs ook niet met wat we in Nederland onder een rechtspersoon verstaan. Het begrip vereniging van art. 11 EVRM dient verdragsautonoom te worden uitgelegd. Het EHRM formuleerde het als volgt:2
“However, the question is not so much whether in French law ACCAs are private associations, public or para-public associations, or mixed associations, but whether they are associations for the purposes of Article 11 of the Convention.
If Contracting States were able, at their discretion, by classifying an association as “public” or “para-administrative”, to remove it from the scope of Article 11, that would give them such latitude that it might lead to results incompatible with the object and purpose of the Convention, which is to protect rights that are not theoretical or illusory but practical and effective […]
The term “association” therefore possesses an autonomous meaning; the classification in national law has only relative value and constitutes no more than a starting-point.”
Dit brengt mee dat de vrijheid van vereniging van art. 11 EVRM niet slechts van toepassing is op rechtspersonen die de nationale wetgevers als vereniging hebben aangemerkt.
De vraag is vervolgens wanneer dan wel sprake is van een vereniging in de zin van art. 11 EVRM. Daarover is de rechtspraak van het EHRM minder duidelijk. In het Gorzelik-arrest3 overwoog het EHRM dat de vrijheid van vereniging er met name op ziet dat men een rechtspersoon kan oprichten ten einde collectief te handelen “in a field of mutual interest”. Eerder had de Europese Commissie van de Rechten van de Mens (“ECRM”)4 reeds een vereniging in de zin van art. 11 EVRM omschreven als een “voluntary organisation for a common purpose” en de vrijheid van vereniging als “a general capacity for the citizens to join without state interference by the state in associations in order to attain various ends”.5 Daaruit valt af te leiden dat een vereniging in de zin van art. 11 EVRM in ieder geval inhoudt dat verschillende personen samen in een collectief verband gemeenschappelijke doelen nastreven.
Het EHRM stelde echter beperkingen aan welk collectief handelen kwalificeert als een vereniging in de zin van art. 11 EVRM in het Cesnieks-arrest.6 Het ging in die zaak over een rechtspersoon die doet denken aan wat in het Nederlandse recht een flatcoöperatie is.7 Oorspronkelijk was dat een coöperatie naar Lets recht, maar later werd deze omgezet in een NV naar Lets recht en tegen die omzetting kwam de klager op met onder meer een beroep op de negatieve vrijheid van vereniging.8 Het EHRM toetste deze klacht niet onder art. 11 EVRM, maar onder art. 1 EP. Ter motivering daarvan zette het EHRM uiteen dat een vereniging in de zin van art. 11 EVRM eerder ziet op een verband van personen (“rassemblement de personnes”) dan van goederen (“rassemblement de biens”). Waar bij rechtspersonen de grens ligt tussen een verband van personen en een verband van goederen is niet altijd evident. Helaas heeft het EHRM in zijn rechtspraak op dit punt nog geen nadere duidelijkheid verschaft. In 6.4.3 zal hierop nader worden ingegaan.
Het voorgaande betekent dat alle typen rechtspersonen, waaronder de NV en BV, in beginsel kunnen kwalificeren als vereniging in de zin van art. 11 EVRM. In de Nederlandse literatuur wordt vrij gemakkelijk aangenomen dat alle privaatrechtelijke rechtspersonen als vereniging in de zin van art. 11 EVRM zouden kwalificeren,9 maar uit het voorgaande blijkt reeds dat dit niet het geval is.10
Een complicatie die voortvloeit uit het feit dat de term “vereniging” verdragsautonoom moet worden uitgelegd, is dat de vereniging als bedoeld in art. 11 EVRM niet volledig hoeft samen te vallen met de rechtspersoon.
Omdat de vereniging als bedoeld in art. 11 EVRM door het EHRM gezien wordt als een verband van personen, zouden ook anderen dan orgaanleden daarvan onderdeel kunnen zijn. De ECRM heeft echter in 1979 geoordeeld dat werknemers van dezelfde werkgever niet kwalificeren als vereniging in de zin van art. 11 EVRM, omdat tussen hen geen sprake is van een vrijwillige organisatie met een gezamenlijk doel, vanwege het feit dat hun onderlinge relatie is gebaseerd op hun contractuele relatie met hun werkgever.11 Dat oordeel moet echter worden begrepen tegen de achtergrond van de zaak. Het ging om de vraag of een werkgever zijn werknemers kan dwingen om bij een vakbond te gaan.12 Het desbetreffende oordeel diende ter verwerping van het verweer dat deze dwang geoorloofd was, omdat de werknemers reeds een vereniging vormden. Ik vraag me af of dat oordeel kan worden veralgemeniseerd en zo ja, of dat dan nog wel onverkort geldt. Ik denk daarbij met name aan het fenomeen dat sommige ondernemingen nadrukkelijker bezig zijn met hun rol in de samenleving. Deze ondernemingen proberen hun personeel en de buitenwereld ervan te overtuigen dat ze niet alleen bezig zijn met winst maken, maar ook allerlei voor mens en natuur weldadige effecten teweeg brengen. Bijvoorbeeld, omdat deze ondernemingen maatschappelijk bewust ondernemen, of (vernieuwende) producten of diensten leveren die het lot van mens en dier zouden verbeteren. In voorkomende gevallen heeft dat ook daadwerkelijk zijn weerslag op de bedrijfscultuur en leidt één en ander er toe dat sommige mensen graag bij dergelijke werkgevers willen werken en zich verbonden voelen met de onderneming. In dat geval lijkt sprake te zijn van een verband van personen die met behulp van een rechtspersoon collectief handelen “in a field of mutual interest”. Ik vind het goed pleitbaar om zulks als een vereniging als bedoeld in art. 11 EVRM aan te merken.
Tevens is denkbaar, hoewel mij dienaangaande geen EHRM-rechtspraak bekend is, dat een concern (of een deel daarvan) als één vereniging wordt aangemerkt.13 Bovendien is denkbaar dat slechts een deel van een rechtspersoon kwalificeert als vereniging. Wellicht kan dit het geval zijn bij een rechtspersoon die aanvankelijk een hechte familieonderneming was die als vereniging in de zin van art. 11 EVRM kwalificeert. Als deze rechtspersoon vervolgens een deel van de aandelen aan een effectenbeurs heeft genoteerd en de nieuwe aandeelhouders bestaan uit een anonieme groep beleggers, is denkbaar dat deze groep aandeelhouders buiten de vereniging in de zin van art. 11 EVRM vallen.