Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/4.2.1
4.2.1 Een fout in het eindvermogen van het laatstvastgestelde jaar
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS416899:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
In hoofdstuk 7, paragraaf 7.3, wordt uitgebreid aandacht besteed aan de toepassing van de foutenleer op onjuiste waarderingsstelsels.
De inspecteur dient aannemelijk te maken dat sprake is van een onjuiste waardering van de voorraad goederen, doch behoeft niet te bewijzen dat het toegepaste waarderingssysteem in strijd met goed koopmansgebruik is, aangezien dat een door de rechter te beantwoorden rechtsvraag betreft.
Zie ook Smeets (blz. 12); naar zijn mening is sprake van een fout, indien een verantwoording in de fiscale jaarstukken niet in overeenstemming is met de juiste ten dienste staande gegevens dan wel kennelijk in strijd is met de wettelijke voorschriften in het bijzonder met hetgeen goed koopmansgebruik redelijkerwijs nog toelaat.
Jacobs (blz. 18/19) spreekt over een tolerantiegebied tussen juiste en onjuiste waarderingen. Hij merkt in dit kader op: ‘Doordat de wet, de beginselen der wet en g.k.g. een tolerantiegebied kennen en vaak moeten kennen tussen “rechtens juist” en “rechtens onjuist”, is ook de afbakening van het begrip “fout” noodzakelijkerwijze niet scherp. Waarderingen welke qua grondslagen of methode (en feiten) liggen binnen dit tolerantiegebied zijn rechtens juist. Hierop mag derhalve nimmer de foutenleer worden toegepast.’
Brüll (blz. 109) merkt op dat de vrijheid van de ondernemer bij de berekening van de jaarwinst steunt op het feit, dat deze slechts een verschuiving van de belastbare winst teweeg kan brengen. Aangetekend moet worden dat bij de begin- en eindwaardering van vermogensbestanddelen echter geen ruimte bestaat voor het subjectieve inzicht van de belastingplichtige. Als een belastingplichtige een machine van een (zakelijk handelende) leverancier heeft gekocht voor f 20 000, dan staat het hem niet vrij deze machine voor f 25 000 in de openingsbalans van zijn onderneming op te nemen omdat hij van mening is dat hij toevalligerwijs een goede aankoop heeft gedaan doch de machine eigenlijk f 25 000 waard is.
Zie bijv. HR 13 november 1991, BNB 1992/109, en HR 18 december 1991, BNB 1992/181. Niet alleen door verandering van goed koopmansgebruik kunnen balanswaarderingen in de loop der tijd onjuist worden; ook veranderingen van de onderneming kunnen de balanswaarderingen onjuist maken. De jurisprudentie laat voorbeelden zien van groeiende ondernemingen waarbij het aanvankelijk terecht toegepaste kasstelsel moest worden vervangen door een omzet- of debiteurenstelsel. Vanaf welk jaar die stelselwijziging moet plaatsvinden, is dan veelal niet exact aan te geven.
In het in dit hoofdstuk tot uitgangspunt genomen voorbeeld van de onjuist gewaardeerde voorraad goederen is ervan uitgegaan dat het onherroepelijk vaststaande eindvermogen van 1998 onjuist is berekend als gevolg van de toepassing van een onjuist waarderingsstelsel1. De vraag of het eindvermogen van het laatstvastgestelde jaar onjuist is berekend, kan tot onenigheid tussen de belastingplichtige en de belastingadministratie leiden. De Hoge Raad oordeelt in zijn arrest van 25 november 1953, BNB 1954/55, dat een belastingplichtige, die beweert dat bij de opstelling van een balans een fout is gemaakt of dat vroeger gemaakte fouten daarin doorwerken, de juistheid van die bewering aannemelijk zal hebben te maken. Deze regel geldt mijns inziens evenzeer ten aanzien van de belastingadministratie. Indien de inspecteur van mening is dat in voorgaande jaren in het voordeel van de belastingplichtige fouten in de waardering van de voorraad goederen zijn gemaakt en dat deze dienen te worden hersteld, zal de inspecteur – indien de belastingplichtige zich verzet tegen het foutenherstel met de stelling dat de waardering van de voorraad goederen niet onjuist is doch past binnen goed koopmansgebruik – zijn stelling bij de rechter aannemelijk moeten maken2.
Uit HR 22 oktober 1952, B. 9293, kan worden afgeleid dat moet worden beoordeeld of de balanswaardering bepaaldelijk fout was. Kon de balanswaardering in het licht van de de belastingplichtige ten tijde van de vaststelling van het eindvermogen ten dienste staande gegevens tegenover wet en goed koopmansgebruik worden verantwoord, dan is geen sprake van een bepaaldelijke fout3. Deze afbakening is echter niet scherp4. Bij de berekening van de jaarwinst gelden weinig absolute normen. Goed koopmansgebruik zorgt voor een zekere bandbreedte, waarbinnen verscheidene waarderingen juist zijn. Aldus wordt ruimte gegeven aan het subjectieve inzicht van de belastingplichtige5. De bandbreedte kan bovendien in de loop der tijd veranderen, als gevolg van de omstandigheid dat goed koopmansgebruik aan verandering onderhevig is6.
Omdat bij de beoordeling of sprake is van een fout moet worden uitgegaan van de gegevens die de belastingplichtige bij het vaststellen van het eindvermogen ter beschikking stonden, is een balanswaardering niet zonder meer ‘bepaaldelijk fout’ indien een vermogensbestanddeel tegen een objectief bezien te hoge of te lage waarde in de balans is opgenomen. Dit kan worden geïllustreerd aan de hand van HR 19 februari 1958, BNB 1958/127. In dit arrest wordt geoordeeld dat voor de bepaling van de waarde van een schuldvordering in de fiscale balans beslissend is het subjectieve oordeel, dat de belastingplichtige zich omtrent de waarde daarvan heeft gevormd en redelijkerwijze heeft kunnen vormen na een nauwgezet onderzoek van de omstandigheden waardoor de waarde van de vordering op de balansdatum kan worden beïnvloed, zoals die omstandigheden hem ten tijde van het opmaken van de balans bekend zijn. Geconcludeerd moet derhalve worden dat zich waarderingen kunnen voordoen die objectief bezien onjuist zijn, maar vanuit het perspectief van de belastingplichtige bezien niet onjuist zijn en mitsdien niet kunnen worden aangemerkt als ‘bepaaldelijk fout’.