Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/2.7.2
2.7.2 Commissie Verdam
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS389443:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
J. Valkhoff (red.), De hervorming van de onderneming, Den Haag: Dr. Wiardi Beckman Stichting 1959, besproken in W.C.L. van der Grinten, ‘Herziening van het vennootschapsrecht?’, De N.V. 1959/60, p. 101-108. Overigens verscheen in 1963 een ander invloedrijk rapport over de hervorming van het ondernemingsrecht, ditmaal afkomstig van de aan de VVD gelieerde B.M. Telderstichting en getiteld Open ondernemerschap. Ook dit rapport werd in De N.V. besproken door Van der Grinten, zij het dat De N.V. anders dan bij het rapport van de Wiardi Beckman Stichting een compleet themanummer aan het rapport van de Telderstichting had ingeruimd. Zie W.C.L. van der Grinten, ‘De organisatie van de N.V.’, De N.V. 1962/63, p. 184-186.
Zie P. Kalma, ‘De politieke erfenis van Joop den Uyl’, Den Uyl-lezing 2012, bron:
Zie Van der Grinten 1959, p. 102: “Deze verdere ontwikkeling van het socialistisch denken over de maatschappelijke orde lijkt mij van grote waarde, omdat zij de aanvaarding betekent van ons maatschappelijk bestel met zijn ondernemingsgewijze produktie en daarmede de basis aanwezig is voor een verder gesprek over de ontwikkeling van dit maatschappelijk bestel met aanhangers van andere geestesrichtingen.”
Kalma 2012, p. 7. Over de motieven van Den Uyl bij dit rapport vermeldt Kalma het volgende: “Den Uyl’s voorstellen waren mede ingegeven door de vrees dat het bedrijfsleven de invloed van de overheid weer wilde verminderen [ten opzichte van de naoorlogse situatie]. Zonder een verdergaande spreiding van welvaart en bedrijfsdemocratisering, schrijft hij, ‘betekent het terugdringen van de overheid onvermijdelijk een herleving van de kapitalistische krachten in onze samenleving.’”
Rapport Wiardi Beckman Stichting 1959, p. 135.
Ibid, p. 37 e.v..
Van der Grinten 1959, p. 103.
Vgl. Handboek Van der Grinten 1946, nr. 94.1, waarin hij opmerkte dat aandeelhoudersvergaderingen bij publieke N.V.’s doorgaans een ‘farce’ waren.
Commissie Ondernemingsrecht, Herziening van het Ondernemingsrecht, rapport van de commissie ingesteld bij beschikking van de Minister van Justitie van 8 april 1960, Den Haag: Staatsuitgeverij 1965.
De voorgeschiedenis is kenbaar uit de rede van de Minister van Justitie van 20 juni 1960, gehouden bij gelegenheid van de installatie van de Commissie Verdam. Zie Rapport Commissie Verdam 1964, p. 1-5.
Dit waren naast Sanders en Den Uyl ook J. Valkhoff, L. de Vries en M. van der Stoel.
Rapport Commissie Verdam 1964, p. 9.
Dat Romme en Van der Grinten bepaald verschillend dachten over de inbedding van sociale vraagstukken in het vennootschappelijk bestel was reeds eerder gebleken. Zie bijvoorbeeld de kritiek die Van der Grinten in zijn Tilburgse rede uitte ten aanzien van de dissertatie van Romme, Van der Grinten 1951a, p. 326-334.
Rapport Commissie Verdam 1964, p. 13.
Dezelfde benadering ten opzichte van de AVA klonk duidelijk door in het in 1959 verschenen onderzoeksrapport getiteld De hervorming van de onderneming: herziening van het vennootschapsrecht in verband met medezeggenschap in en toezicht op de onderneming van de Wiardi Beckman Stichting.1 Het rapport was geschreven door een groep wetenschappers, onder wie Sanders en Joop den Uyl. Den Uyl, toen nog directeur van de Wiardi Beckman Stichting, was een sleutelfiguur in de toenmalige ontwikkeling binnen de Partij van de Arbeid waarbij in 1959 het algemene streven naar socialisatie uit het partijprogramma was geschrapt.2 Met deze wending en de daarin besloten acceptatie van de gevestigde economische orde van het private bedrijfsleven maakte Den Uyl de PvdA tot een aanvaardbare gesprekspartner voor de andere politieke partijen in de discussie over de herziening van het ondernemingsrecht.3 De inzet van het rapport was niet om het gevestigde organisatiemodel van bedrijven te wijzigen, bijvoorbeeld naar een vorm van arbeiderszelfbestuur of overheidsbestuur, maar om binnen de bestaande kaders een democratisering van het bedrijfsleven te bewerkstelligen.4 De auteurs van het rapport gaven concrete invulling aan deze democratiseringsgedachte met voorstellen om de samenstelling van de RvC bij grote ondernemingen zodanig voor te schrijven dat slechts nog 1/3 van de leden van de RvC door de aandeelhouders benoemd zouden kunnen worden. De andere leden van de RvC zouden dwingendrechtelijk elk voor 1/3 door de ondernemingsraad en van overheidswege worden benoemd. Met deze gewijzigde samenstelling ging voorts een verzwaring van de rol en bevoegdheden van de RvC gepaard om zo een controlerend blok tegenover het bestuur in grote ondernemingen te kunnen plaatsen. In deze voorstellen waren de grondtrekken zichtbaar van de in 1971 ingevoerde structuurregeling.
In de passages van het rapport over het functioneren van de toezichts- en controlemechanismen binnen het toenmalige N.V.-recht voor grote ondernemingen was duidelijk de hand van Sanders zichtbaar. Eén van de centrale bevindingen waar de auteurs van het rapport hun aanbevelingen op baseerden was de constatering dat sprake was van een machtsconcentratie bij de besturen van de grote ondernemingen en dat de mogelijkheden tot controle op het door hen gevoerde beleid ernstig waren verzwakt.5 Dit werd met name toegeschreven aan het tekortschieten van de controlerende functie van de AVA; de verantwoordingsplicht van het bestuur aan de AVA en het toezicht van de AVA op het bestuur zou in de praktijk weinig om het lijf hebben.6 Van der Grinten vond deze opvatting van de auteurs van het rapport te ver gaan. Hij stelde in reactie onder meer dat “de directie van een N.V. de critiserende aandeelhouders allerminst als een quantité négligable pleegt te beschouwen.”7 Wel erkende hij, in lijn met zijn eerdere opvattingen, dat de AVA wellicht niet het aangewezen orgaan was om adequaat toezicht op het bestuur van grote N.V.’s van te verwachten.8
De ideeën van Sanders en Van der Grinten zouden uiteindelijk samenkomen in het rapport Herziening van het Ondernemingsrecht van de Commissie Ondernemingsrecht van 26 november 1964 (doorgaans aangeduid als het rapport van de ‘Commissie Verdam’ naar haar voorzitter).9 De Commissie Verdam was in 1960 ingesteld ter uitvoering van het in de Regeringsverklaring van 26 mei 1959 neergelegde streven om een onderzoek te laten verrichten naar de wenselijkheid van een herziening van het ondernemingsrecht, welk streven op haar beurt weer was ingegeven door eerdere mislukte aanzetten hiertoe uit 1948 en 1956.10 De opdracht van de Commissie Verdam spitste zich in het bijzonder toe op het vraagstuk van hoe met de werknemersbelangen in grote ondernemingen moest worden omgegaan en in hoeverre er behoefte bestond aan borging van deze belangen binnen het vennootschappelijk bestel. Met de Commissie Verdam werd dus een regeringscommissie ingesteld om te adviseren over het vormgeven van de maatschappelijk erkende verbreding van de belangensfeer bij grote ondernemingen.
De samenstelling van de Commissie Verdam, ingesteld door Minister Beerman (CHU) uit het kabinet De Quay (KVP, ARP, CHU, VVD) vormde een bijzondere afspiegeling van de toenmalige politieke verhoudingen. Ondanks het feit dat de PvdA destijds niet in de regering zat, was toch een aanzienlijk deel van de zestienkoppige commissie uit PvdA-kringen afkomstig, waaronder vijf van de auteurs van het hierboven beschreven rapport van de Wiardi Beckman Stichting.11 De voorzitter van de Commissie, Pieter Verdam, behoorde tot de ARP, maar vanuit de confessionele hoek was met name de KVP sterk vertegenwoordigd, onder meer met Van der Grinten. De Commissie Verdam was weliswaar intern verdeeld, maar bleek toch in staat om een deugdelijk en inzichtrijk rapport op te leveren inclusief uitgewerkte voorontwerpen van verschillende nieuwe en/of gewijzigde wetten. Dit rapport zou uiteindelijk eind 1964 aan de nieuwe Minister van Justitie Scholten worden aangeboden.
De uit het rapport kenbare stemverhoudingen binnen de Commissie Ver dam zijn interessant.12 Bij vele onderwerpen tekende zich een vaste meer derheid van negen leden af tegen een vaste minderheid van zeven leden. De staande meerderheid werd gevormd door de vijf aan de PvdA geli eerde leden (Den Uyl, Van der Stoel, De Vries, Valkhoff en Sanders). Ook de leden vanuit de ARP (Verdam en De Gaay Fortman) bevonden zich aan de zijde van de meerderheid. De KVP was verdeeld: Romme en Rutten stemden met de meerderheid, terwijl de KVP’ers vanuit de ‘ondernemerskant’ (Van den Brink, Van der Grinten) zich samen met de CHU en de VVD in de minderheid bevonden.13 In de meerderheid bestond een aparte afsplit sing voor wie bepaalde voorstellen niet ver genoeg gingen. Dit blok bestond uit vier van de aan de PvdA gelieerde leden; alleen Sanders sloot zich niet bij hen aan. De standpunten van dit blok zijn in het rapport separaat opgenomen als minderheidsstandpunten.
Vanwege de stemverhoudingen in de Commissie Verdam kan wel worden gezegd dat dit rapport gedeeltelijk in een logisch verlengde ligt van het eerdere rapport vanuit de Wiardi Beckman Stichting. In het denken over de positie van de aandeelhouders in de grote ondernemingen is dit ook duidelijk zichtbaar. De positiebepaling van de Commissie Verdam ten aanzien van de aandeelhouders (kapitaalverschaffers) van grote ondernemingen ging uit van een passieve aandeelhouder-belegger die slechts op koers en dividend was gericht en die deskundigheid en betrokkenheid miste bij belangrijke beslissingen voor de onderneming. Ook ging de Commissie Verdam ervan uit dat individuele aandeelhouders als gevolg van de spreiding van het aandelenkapitaal en de aanwezigheid van oligarchische regelingen slechts weinig invloed op de gang van zaken in de onderneming kon uitoefenen. Hiermee volgde de Commissie Verdam vrijwel letterlijk de lijn die Sanders meer dan tien jaar geleden al had uitgestippeld. Opmerkelijk genoeg merkte het rapport in aanvulling op deze beschouwing wel het volgende op: “Dit betekent niet, dat de aandeelhoudersvergadering is te beschouwen als een quantiténégligable. Haar betekenis blijkt vooral, als de gang van zaken in de onderneming financieel of anderszins onbevredigend is; van het besef dat daarmede rekening moet worden gehouden, gaat preventieve werking uit.”14 De opvallende woordelijke gelijkenis met het hierboven weergegeven citaat van Van der Grinten dat hij enkele jaren daarvoor in reactie op het rapport van de Wiardi Beckman Stichting had geformuleerd, doet ter zake van de passages uit het rapport van de Commissie Verdam over de positie van aandeelhouders een compromistekst tussen Sanders en Van der Grinten vermoeden.