Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/2.3.3
2.3.3 De aanwijzing van klachtdelicten in Boek II
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946197:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 494.
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 493.
Zie hierover meer uitgebreid paragraaf 2.3.
Smidt & Smidt 1891 (Deel II), p. 309.
Smidt & Smidt 1892 (Deel III), p. 29.
Smidt & Smidt 1892 (Deel III), p. 34. Het amendement werd met 52 tegen 4 stemmen aangenomen. In 1912 is de Auteurswet ingevoerd, waarna deze strafbare feiten, alsmede het klachtvereiste, naar deze wet zijn overgeheveld (Stb. 1912, 308). In 1972 is het klachtvereiste bij deze bepalingen vervallen (Stb. 1972, 579). De wetgever meende dat de mogelijkheden tot opsporing en vervolging (met name bij schendingen van muziekauteursrecht) nodeloos werden ingeperkt door het klachtvereiste. Zie in dit verband: Kamerstukken II 1964-1965, 7877, nr. 3, p. 12.
De aanwijzing van klachtdelicten kreeg in het Wetboek van Strafrecht van 1886 vorm door aan de betreffende misdrijven in Boek II steeds expliciet een klachtvereiste toe te voegen. Hiervoor is uiteengezet dat de Raad van State zich kritisch toonde ten aanzien van de bepalingen over de bevoegdheid tot het indienen en intrekken van klachten in Boek I Titel VII, omdat dit tot het strafprocesrecht zou behoren. De bepalingen in Boek II – die zien op de aanwijzing van de onderscheiden klachtdelicten – houden volgens de Raad van State daarentegen wel voldoende nauw verband met het materiële strafrecht, omdat de toevoeging van het klachtvereiste met zich brengt dat de straffeloosheid van het feit samenhangt met het al dan niet ingediend zijn van een klacht. 1
In de memorie van toelichting is uiteengezet dat ambtshalve vervolging regel is en dat afhankelijkheid van de vervolging van de wil van de persoon tegen wie het delict is gepleegd een zeldzame uitzondering betreft. Voor een dergelijke uitzondering werd in het wetsontwerp slechts één grond erkend. Dat betrof de gevallen waarbij ‘het bijzonder belang grooter nadeel lijdt door het instellen dan het openbaar belang door het niet-instellen der strafactie’.2 Dit is gelijk aan het grondbeginsel dat tijdens de jaarvergadering in 1877 door de NJV is geduid als redengevend voor toevoeging van het klachtvereiste bij strafbare feiten.3
Uiteindelijk zijn in het Wetboek van Strafrecht van 1886 de volgende strafbare feiten als klachtdelict aangemerkt: overspel (art. 241 Sr), gemeenschap met een persoon tussen 12 en 16 jaren oud (art. 245 Sr), belediging, smaad(schrift) en laster (via art. 269), smaad(schrift) ten aanzien van overledenen (art. 270 Sr), het verspreiden van smaadschrift (art. 271), de schending van beroeps- en bedrijfsgeheimen (art. 272 en 273 Sr), schaking (art. 281 Sr) en dwang middels smaad(schrift) (art. 284 lid 2 Sr). Het klachtvereiste is voorts toegevoegd aan familiediefstal (via art. 316 Sr) en andere eigendomsmisdrijven zoals bijvoorbeeld afpersing, verduistering en bedrog voor zover die zijn gepleegd tegen bepaalde bloedverwanten (via art. 319, 324, 338, 348 en 353 Sr). Ook zijn het schenden van auteursrecht en het verspreiden van stukken die dat recht schenden als klachtdelict aangewezen (via art. 349quater Sr).
Noemenswaardig is dat bovenstaande opsomming van klachtdelicten niet overeenkomt met de delicten waaraan in het oorspronkelijke wetsontwerp van de Staatscommissie een klachtvereiste was toegevoegd. Naar aanleiding van de parlementaire behandeling is het klachtvereiste weggehaald bij huisvredebreuk (art. 139). Daarnaast is het klachtvereiste – in weerwil van de bedoeling van de Staatscommissie – toegevoegd bij het hebben van gemeenschap met personen tussen 12 en 16 jaren oud, drukpersdelicten en afdreiging en dwang middels smaad(schrift). Overspel was in het oorspronkelijke ontwerp zelfs geen strafbaar feit, en in het verlengde daarvan logischerwijs geen klachtdelict, maar is dit wel geworden naar aanleiding van de parlementaire behandeling.
Wat in het bijzonder opvalt, is dat bij de parlementaire behandeling ten behoeve van de totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht in 1886 niet steeds oog heeft bestaan voor het grondbeginsel dat – gelet op de memorie van toelichting – ten grondslag ligt aan het klachtvereiste. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de toevoeging van het klachtvereiste aan de strafbaar gestelde gemeenschap met een persoon tussen 12 en 16 jaren oud. Bij de parlementaire behandeling is gewezen op de (toen kennelijk veelvoorkomende) situatie dat een man een meisje tussen de 12 en 16 jaren bezwangert, waarna de betreffende man zijn fout zoveel mogelijk zou willen herstellen door het meisje te huwen. Er wordt gesteld dat een ambtshalve vervolging van dit strafbare feit met zich zou brengen dat de man, uit vrees voor straf, het meisje aan haar lot zou overlaten in plaats van haar te trouwen. Om dit te voorkomen zou het delict niet ambtshalve, maar slechts op klacht, vervolgbaar dienen te zijn.4 De redengeving voor het klachtvereiste bij dit misdrijf is dan ook een totaal andere dan het grondbeginsel dat blijkens de memorie van toelichting aan alle klachtdelicten ten grondslag behoort te liggen.
Dat bij de aanwijzing van klachtdelicten niet al te consequent is omgegaan met voornoemd grondbeginsel blijkt ook uit de toevoeging van het klachtvereiste aan drukpersdelicten die zien op het maken van inbreuk op andermans auteursrecht. In het verslag van de beraadslagingen in de Tweede Kamer is hierover opgenomen:
‘Zonder in discussie te willen treden over de vraag, of als eenige grond voor afhankelijkheid der vervolging van den wil van hem tegen wien het misdrijf gepleegd is, met het ontwerp Strafwetboek, moet worden aangenomen de mogelijkheid dat het bijzonder belang grooter nadeel lijdt door het instellen, dan het openbaar belang door het niet instellen der strafactie, meenden vele leden te mogen aannemen, dat, waar bij het instellen der strafactie van deze wet het openbaar belang in den regel slechts in geringe mate betrokken is, er termen bestaan om die actie niet in te stellen, tenzij de benadeelde partij de vervolging wenscht.’5
Deze redenering is inconsistent. Enerzijds willen de Tweede Kamerleden het exclusief aanvaarde grondbeginsel voor klachtdelicten niet ter discussie stellen, waarna anderzijds een tweede criterium wordt geïntroduceerd waarop het klachtvereiste (in geval van drukpersdelicten) kan worden gestoeld. Het zou dan gaan om delicten waarbij het openbaar belang slechts in dermate geringe mate is betrokken dat aanleiding bestaat niet te vervolgen, tenzij het slachtoffer dit wenst. In reactie hierop benadrukt de regering dat in het ontwerp-strafwetboek slechts één grond is aangenomen die toevoeging van het klachtvereiste rechtvaardigt en dat die grond bij drukpersdelicten niet aan de orde is. Het verbaast dan ook niet dat minister van Justitie Modderman zich genoodzaakt voelde zich in stellige bewoordingen uit te spreken toen in de Tweede Kamer desondanks een amendement werd ingediend om de misdrijven tegen het auteursrecht van een klachtvereiste te voorzien. Modderman stelde dat het klachtdelict niet slechts een uitzondering, maar een zeer grote uitzondering moet zijn, nu bij die strafbare feiten de private wil een greep doet in het publieke recht. Modderman expliciteerde vervolgens de theoretische grond voor klachtdelicten door uiteen te zetten dat een klachtvereiste uitsluitend nodig is bij feiten waarbij een vervolging in strijd met de wil van degene tegen wie het is gepleegd voor de maatschappij een groter kwaad zou opleveren dan straffeloosheid. Dit gold volgens Modderman niet voor drukpersdelicten. Het betoog van Modderman weerhield de Tweede Kamer er niet van via een breed gedragen amendement een klachtvereiste toe te voegen aan de drukpersdelicten. 6
Het voorgaande maakt duidelijk dat de memorie van toelichting de grondslag voor klachtdelicten eenduidiger voorspiegelt, dan achteraf bezien is gerechtvaardigd. In de praktijk hebben ook andere overwegingen een rol gespeeld bij het aanwijzen van klachtdelicten.