Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/14.4.3
14.4.3 De rechter
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS364102:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Die wordt vastgesteld door de wetgever, hoewel er misschien uitzonderingen zijn. Zo wil de Hoge Raad in Van Hese/De Schelde (HR 28 april 2000, NJ 2000, 430 m.nt. ARB) de rechter in ogenschouw doen nemen 'of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld.' Op dat onbepaalde 'redelijke termijn' is wel kritiek geuit; niemand weet hoe lang die redelijke termijn nu is. Dat komt de rechtszekerheid (in de zin van voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen) niet ten goede. Wellicht zou de Hoge Raad er goed aan doen hier op enig moment een termijn te bepalen. Zie nader § 21.3.3.
HR 4 juni 2004, RvdW 2004, 80.
HR 31 mei 2002 (Bijlsma/ABP) RvdW 2002, 90, nagevolgd door HR 1 april 2005 (Sint Lucas Andreas/ZAO) RvdW 2005, 50 voor wat betreft art. 83b Ziekenfondswet.
HR 28 November 2003, NJ 2004, 268.
HR 6 april 2001, NJ 2002, 383 m.nt. HTS onder HR 20 april 2001, NJ 2002, 384.
HR 20 april 2001, NJ 2002, 384.
1-11( 25 juni 1999, NJ 2000, 16 (kindermishandeling).
1-11( 1 februari 2002, NJ 2002, 195.
Een vergelijkbare redenering zou ik kunnen voeren ten aanzien van de beslissing van de Hoge Raad het regresrecht krachtens zelfstandig wettelijk recht onder art. 3:310 BW in plaats van art. 3:306 BW te scharen; ook daar pakt de beslissing goed uit, en ook daar had de motivering wellicht meer op de tekortschietende grond voor het maken van onderscheid geënt kunnen zijn.
De beslissing dat in geval van regres krachtens zelfstandig wettelijk recht net als bij regres krachtens subrogatie de aansprakelijke partij de regresvordering niet langer tegen zich gericht kan krijgen dan de 'oorspronkelijke' vordering: '(...) wordt mede hierdoor gerechtvaardigd dat aldus geen moeilijk te verklaren verschil bestaat met de situatie waarin degene die de door de getroffene geleden schade heeft vergoed en op grond van artikel 284 WvK wordt gesubrogeerd in diens vordering op de aansprakelijke persoon, nu immers de verweermiddelen van deze ingevolge artikel 6:145 BW onverlet blijven. (...)' Zie nader over deze beslissing § 21.2.4.2.
Net als de wetgever heeft ook de rechter belangrijke invloed op de eenheid van het verjaringsrecht. Eén poot van de verjaringsregel staat weliswaar buiten zijn discretie, namelijk de verjaringstermijn,1 maar zijn antwoord op vragen van bijvoorbeeld de aanvang van de termijn of verjaringsrechtelijke kwalificatie, kunnen wel degelijk verbrokkelen of juist consolideren.
Dat heeft zich in het verleden ook al voorgedaan: consoliderend zijn bijvoorbeeld de beslissingen van de Hoge Raad om (i) de regresvordering van de borg2 en (ii) het zelfstandig regresrecht onder art. 3:310 BW te brengen3 en (iii) om het begrip `kennis' zowel in 3:3094 als in 3:3105 als in 3:3116 subjectief op te vatten; verbrokkelend zijn daarentegen zijn beslissingen (i) het begrip gebeurtenis uit art. 3:310 lid 3 BW niet analogisch op lid 1 toe te passen7 en (ii) onderhandelingen buiten de WAM geen stuitende werking toe te kennen8 (zij hebben dat binnen de WAM wél).
Ten aanzien van de rol van de rechter bij behoud van eenheid van het verjaringsrecht zou ik niet een wezenlijk ander betoog willen voeren dan ik hiervoor deed ten aanzien van de rol van de wetgever: de eenheid van het verjaringsrecht is erbij gebaat als de rechter aan zijn verjaringsbeslissingen steeds hetzelfde normatieve uitgangspunt ten grondslag legt — wat dat uitgangspunt is, verwoordde ik eerder, onder andere in de vorige paragraaf.
Het verjaringsprobleem dat zich het beste leent ter illustratie van die stelling ik noemde het al in de opsomming van zojuist — is de kwestie of de regresvordering van de borg valt onder het artikel over de verjaring van vorderingen tot schadevergoeding (art. 3:310 BW), hetgeen toepasselijkheid van een vijfj aarstermijn tot gevolg zou hebben, of dat de regresvordering van de borg valt onder het "vangnetartikel" art. 3:306 BW, hetgeen toepasselijkheid van een twintigjaarstermijn zou meebrengen. In zijn genoemde arrest van 4 juni 2004 besliste de Hoge Raad tot toepasselijkheid van art. 3:310 BW. Hij overwoog daartoe het volgende:
"Zoals is uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 11, moet uit de parlementaire geschiedenis worden afgeleid dat het in artikel 3:310 BW gebruikte begrip "rechtsvordering tot vergoeding van schade" een ruime strekking heeft. De hier aan de orde zijnde regresvordering van de borg die betaald heeft, geeft deze laatste een eigen, zelfstandig recht jegens de hoofdschuldenaar en heeft de strekking te voorkomen dat de schuldenaar ten koste van de borg ongerechtvaardigd wordt verrijkt doordat de borg het door de schuldenaar verschuldigde aan de schuldeiser heeft voldaan. De borg heeft immers de schuld niet overgenomen, maar zich daarvoor slechts garant verklaard. Gelet op dit een en ander moet worden geoordeeld dat de uit artikel 1876 (oud) BW voortvloeiende regresvordering van de borg die betaald heeft, is te beschouwen als een rechtsvordering tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 3:310 BW."
Naar ik meen is deze beslissing juist, en is deze motivering ook niet ónjuist. Inderdaad lijkt mij de regresvordering geen vordering tot schadevergoeding in enge zin, maar wel in de brede zin te zijn. Toch lees ik in de beslissing van de Hoge Raad niet het wat mij betreft meest fundamentele motief. Waarom willen wij dat art. 3:310 BW met zijn subjectieve "rechtsverwerkingstermijn" van toepassing is en niet art. 3:306 BW met zijn objectieve twintigjaarstermijn? Omdat niet valt in te zien waarom de gewone schuldeiser niét straffeloos schier eindeloos op zijn recht mag blijven zitten en de borg wél. Ook de borg is er, net als de "gewone" schuldeiser, jegens de debiteur toe gehouden, gelet op diens afkalvende bewijs- en rechtszekerheidspositie, op enig moment tot juridische actie te komen. Ook hij verwerkt, in conceptuele zin, zijn recht door niet tijdig te ageren.
Anders gezegd: had de Hoge Raad het algemene art. 3:306 BW toegepast, dan had voortaan belangrijk verjaringsrechtelijk onderscheid bestaan tussen de gewone crediteur en de crediteur-borg. Bij gebreke van een inhoudelijke rechtvaardiging voor dat onderscheid, was daarmee de inconsistentie van ons verjaringsrecht nodeloos toegenomen.9
Ik weet niet goed in hoeverre rechters het "eenheidsargument" hanteren. Natuurlijk heeft met name de Hoge Raad bij al zijn beslissingen mede de rechtseenheid voor ogen. Veelal zal hij het ook gewicht toekennen zonder dat nadrukkelijk op te merken. Dat kan bij de voornoemde beslissing ook heel goed het geval zijn geweest. Aan de andere kant is het opvallend dat hij in het kader van het verjaringsrecht een soort "eenheidsrationale" nooit geëxpliciteerd heeft, terwijl hij dat elders soms toch wel doet. Heel dicht bij huis bijvoorbeeld: in een arrest over het aanvangsmoment van de subjectieve termijn van 3:310 in geval van regres noemt hij de voorkoming van een "moeilijk te verklaren verschil" als motief voor zijn beslissing. De voorkoming van dat "moeilijk te verklaren verschil" strekt echter niet tot behoud van eenheid binnen het verjaringsrecht, maar tot behoud van eenheid binnen het regresrecht.10
Noemenswaard in dit verband is dat ook niet vaststaat in hoeverre de Hoge Raad en rechters meer in het algemeen zich van de hiervoor verdedigde gemeenschappelijke normatieve oorsprong van verjaringsregels bewust zijn, of, sterker nog, deze ook maar onderschrijven. Ook nu nog is niet gezegd dat de Hoge Raad de door mij verdedigde rechtsverwerkingsgedachte aanvaardt. Waarschijnlijk is zelfs dat hij dat tot het Saelman-arrest van 31 oktober 2003 niet deed. Tegen die achtergrond heeft het weinig zin oudere verjaringsuitspraken op dit punt te onderzoeken.
Gegeven deze onzekerheden kan ik tot slot van deze paragraaf niet veel meer doen dan persisteren bij mijn inleidende opmerking: de rechter kan nodeloze verbrokkeling van ons verjaringsrecht zo veel mogelijk voorkomen door verjaringsregels te interpreteren vanuit dezelfde normatieve basis.