Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/4.2.2
4.2.2 Het fiduciaverbod
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS957933:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In dit hoofdstuk zal niet verder worden ingegaan op de fiducia cum creditore, tenzij dit relevant is voor de bespreking van de fiducia cum amico.
Deze komen hierna en in paragraaf 4.3.1.1.2 aan de orde.
Hoge Raad 14 juni 1929, ECLI:NL:HR:1929:237, NJ 1929, p. 1434, m.nt. P. Scholten. Kritisch over deze conclusie dat de fiducia cum amico is erkend door de Hoge Raad in het B.U.M.A.-arrest is Van der Grinten. Van der Grinten is van mening dat de Hoge Raad niet concreet heeft geoordeeld over de toelaatbaarheid van de fiducia cum amico. Van der Grinten 1964, p. 19.
De rechtsverhouding die B.U.M.A. met de componisten heeft wordt nu geregeld door middel van een privatieve lastgeving (art. 7:423 BW).
Parl. Gesch. BW Boek 31981, p. 317. Zie ook Meijers 1927, p. 414-415. Daarin geeft Meijers aan waarom hij er geen voorstander van is om een Engelse trustfiguur te introduceren in Nederland.
Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 316. Overigens blijkt uit de wetsgeschiedenis dat Meijers de certificering niet als een fiducia cum amico zag. Hij erkent het bestaan van certificering als een toegelaten rechtsfiguur.
Zie Stein 1992, p. 10 en zie hierna in paragraaf 4.3.1.1.2.
Parl. Gesch. BW (Inv. 3, 5 en 6) Boek 3 1990, p 1273, waar ook verwezen wordt naar Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 318-319.
Hoge Raad 19 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1735, NJ 1996/199, ro. 3.6. Zie heel uitgebreid over dit arrest Rongen 2012, p. 806-851.
Parl. Gesch. BW (Inv. 3, 5 en 6) Boek 3 1990, p. 1200.
Struycken en Heilbron, in: GS Vermogensrecht, art. 3:84 lid 3 BW, aant. 3.1.5 en 3.6,1, Snijders 1990, p. 73 en de Hoge Raad in het Sogelease-arrest (Hoge Raad 19 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1735, NJ 1996/199, ro. 3.6). Er wordt wel geschreven dat dit gedeelte van art. 3:84 lid 3 BW enigszins overbodig is als de reikwijdte van het artikel het bevestigen van het gesloten stelsel zou zijn. Meerdere auteurs geven aan dat dit ook al blijkt uit art. 3:81 lid 1 BW. Zie onder andere Faber 1996, p. 228.
Stein 1992, p. 12.
Stein 1992, p. 13.
Een overdracht met dergelijke gevolgen is echter simpelweg niet mogelijk volgens Stein. Stein geeft als voorbeelden van het benaderen van deze situatie het overdragen van een goed aan een rechtspersoon en het overlaten van het beheren aan een feitelijk beheerder. Indien deze beheerder failliet gaat, kan de rechtspersoon het goed uit het faillissement van de feitelijk beheerder opeisen. Maar deze constructie beschermt niet tegen verhaal van de crediteuren van de rechtspersoon. Ook noemt Stein de mogelijkheid om een goed over te dragen met voorbehoud van een pand- of hypotheekrecht. Crediteuren van de verkrijger kunnen nu wel verhaal nemen op het goed, maar moeten daarbij rekening houden met het pand- of hypotheekrecht. Stein 1992, p. 14.
Zie over de mogelijke reikwijdtes ook Minke 1995 die het publiciteitsbeginsel als reikwijdte bespreekt. Art. 3:84 lid 3 BW zou in het kader van dat beginsel zo uitgelegd moeten worden dat alle gevallen waarin publiciteit van de werkelijke toestand wordt vermeden, onder het verbod vallen. Bijvoorbeeld bij een economische eigendomssituatie.
Wolfert 2005, p. 455-456. Zie ook Faber 1996, p. 252. In gelijke zin Loof 2019, p. 666. Volgens hem is het niet mogelijk om een trust in te richten als een overdracht onder ontbindende voorwaarde van, onder meer, faillissement van de verkrijger. Volgens Loof mist een dergelijke overdracht de bedoeling om het goed daadwerkelijk in het vermogen van de verkrijger te laten vallen.
Mouthaan 2013, p. 608-609. Daarbij dient wel opgemerkt te worden dat Mouthaan deze obligatoire afspraak in eerste instantie enkel lijkt te toetsen aan het verbod van de fiducia cum creditore en niet van de fiducia cum amico.
Mouthaan 2014, p. 119.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2019, Goederenrecht, nr. 123. Zie ook Struycken en Heilbron, in: GS Vermogensrecht, art. 3:84 lid 3 BW, aant. 3.7.2.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2019, Goederenrecht, nr. 122.
Struycken en Heilbron, in: GS Vermogensrecht, art. 3:84 lid 3 BW, aant. 3.7.1. en 3.7.2.
Vegter 2004, p. 112. Zie ook Nieuwesteeg 2023, p. 782.
Nieuwesteeg 2023, p. 782.
Faber 1996, p. 231. Volgens Faber bedoelt de wetgever het volgende te verbieden: een overdracht waarbij een ongeoorloofde splitsing van het subjectieve recht wordt beoogd door partijen om op die manier goederen aan verhaalsaansprakelijkheden van schuldeisers van de verkrijger te onttrekken. Een dergelijke overdracht is echter onmogelijk. Zie ook Stein 1992, p. 14.
Zie Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021, nr. 276.
Deze eerste paragraaf gaat over een rechtsfiguur die niet kan worden ingezet in het kader van beheer. In art. 3:84 lid 3 BW worden de fiducia cum creditore1 en de fiducia cum amico verboden. Art. 3:84 lid 3 geeft aan:
“Een rechtshandeling die ten doel heeft een goed over te dragen tot zekerheid of die de strekking mist het goed na de overdracht in het vermogen van de verkrijger te doen vallen, is geen geldige titel van overdracht van dat goed.”
De fiducia cum amico is in het kader van dit onderzoek van belang. Op grond van het geciteerde art. 3:84 lid 3 BW mag er geen goed worden overdragen dat na de overdracht niet daadwerkelijk in het vermogen van de verkrijger valt. Over de strekking van de bepaling en de reikwijdte van het verbod zijn al meerdere discussies gevoerd.2 Het enger of ruimer uitleggen van deze bepaling heeft gevolgen voor de mogelijke juridische structuren voor beheer. Vandaar dat hieronder nader wordt ingegaan op de fiducia cum amico en de strekking van art. 3:84 lid 3 BW. Wat is de oorsprong van het verbod en hoever reikt het verbod?
Voor de inwerkingtreding van het huidige art. 3:84 lid 3 BW in 1992 bestond het verbod niet. Sterker nog, de fiducia cum amico was een door de Hoge Raad erkend rechtsfiguur. Deze erkenning vond plaats in 1929, onder meer in het arrest genaamd ‘B.U.M.A.’.3 In de casus draaide het om een overeenkomst tussen een restauranthouder en de heer Loman (directeur van de Vereeniging ‘Het Bureau voor Muziek-Auteursrecht’ (B.U.M.A.)). De restauranthouder moest op basis van de overeenkomst gelden aan B.U.M.A. betalen om bepaalde muziekstukken te kunnen laten uitvoeren. Loman had zijn vorderingen op de restauranthouder gecedeerd aan B.U.M.A. In het arrest stond ter discussie of cessie überhaupt mogelijk was of dat er sprake was van een volmacht voor Loman om de gelden te innen voor de componisten. In het geval van een volmacht, kon er geen sprake zijn van een cessie door Loman aan B.U.M.A. De Hoge Raad bepaalde dat Loman als trustee de exploitatie van de auteursrechten had overgenomen van de componisten. Loman kon daardoor, volgens de Hoge Raad, ten behoeve van de componisten, doch op eigen naam, overeenkomsten sluiten met degenen die de muziekwerken wensen uit te voeren. De restauranthouder kwam op die manier niet in een rechtsverhouding terecht met de componisten, maar met Loman als trustee. De vorderingen die ontstonden uit de overeenkomsten die Loman had gesloten, kon hij als rechthebbende cederen aan B.U.M.A. Dit betekende een erkenning van de fiducia cum amico.4
Meijers heeft in zijn ontwerp voor het nieuw Burgerlijk Wetboek een verbod op de fiducia cum amico ingevoerd. Zijn reden daarvoor was de volgende:
“De fiduciaire eigendomsoverdracht, in onze rechtspraak erkend door de arresten van de Hoge Raad van 25 januari 1929, NJ 1929, p. 616, W. 11951, alsmede van 14 en 21 juni 1929, p. 1434 en 1096, W. 12009 en 12010, is steeds een middel geweest om dwingende bepalingen, die de praktijk als verouderd beschouwde, te omzeilen. Het recht wordt echter beter gediend door in zodanige gevallen de verouderde dwingende wet te veranderen dan door toe te laten dat door wetsontduiking het gezag van dwingende bepalingen wordt ondermijnd.”5
Het oud Burgerlijk Wetboek voorzag niet in een regeling die in plaats van de fiducia cum amico kon worden gebruikt. Meijers’ voorstel was om een algemene regeling voor bewind op te nemen in de wet ter vervanging van de in de praktijk ontwikkelde figuren van de fiducia cum amico. Op deze bewindregeling wordt teruggekomen in paragraaf 4.3.1.1.1.
Het verbod op de fiducia cum amico dat Meijers voorstelde was:
“Een rechtshandeling die een overdracht van een recht…..tot uitoefening van het over te dragen recht in het belang van de vervreemder of van een derde ten doel heeft, is geen geldige titel van overdracht van dat recht.”6
Later is de reikwijdte van het verbod verkleind.7 Volgens de wetgever belet art. 3:84 lid 3 BW nu slechts overdrachten
“uit hoofde van een titel die beoogt de verkrijger bijvoorbeeld niet volledig beschikkingsbevoegd te maken of het overgedragen goed niet in zijn voor verhaal door schuldeisers vatbare vermogen te laten vallen, terwijl er geen beletsel bestaat om de verkrijger de bevoegdheden die men hem wil doen toekomen, langs de obligatoire weg toe te kennen”8.
Dit is in het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 1995 (Sogelaese) expliciet met betrekking tot art. 3:84 lid 3 BW nog een keer in woorden van gelijke strekking herhaald:
“Deze maatstaf beoogt te voorkomen dat, in strijd met het gesloten stelsel van het zakenrecht, rechten met zakelijke werking in het leven worden geroepen op een niet door de wet voorziene wijze, maar hij verzet zich niet tegen een regeling waarbij een partij, in dit geval Sogelease, de volledige eigendom heeft, en de andere partij, in dit geval De Zaaiers, louter persoonlijke rechten en verplichtingen heeft, zoals een persoonlijk gebruiksrecht, een persoonlijke verplichting de leasetermijnen te betalen, alsmede een optie de zaken aan het eind van de leaseperiode in eigendom te verkrijgen. Dat deze optie zo is ingekleed, dat zij in de praktijk wel steeds zal worden uitgeoefend, doet daaraan niet af.”9
In de Parlementaire Geschiedenis is te lezen dat het verbod van zekerheidsoverdracht omvangrijker is dan het verbod van de fiducia cum amico.10 Als de ruimte tot het aangaan van obligatoire afspraken er is in het kader van het verkrijgen van zekerheid voor de schuldeiser zoals uit het Sogelease-arrest blijkt, dan zal die ruimte er zeker zijn bij het beperktere verbod van de fiducia cum amico.
De wetgever wil door het opnemen van het fiduciaverbod voorkomen dat er op andere wijze verdelingen van (goederenrechtelijke) bevoegdheden ontstaan dan de mogelijkheden die de wet nu biedt. Alleen de door de wet erkende beperkte rechten kunnen met andere woorden worden gebruikt om een deel van de (goederenrechtelijke) bevoegdheden met betrekking tot een goed naar een ander te laten overgaan.11 In zoverre is art. 3:84 lid 3 BW een bevestiging van het gesloten stelsel van het goederenrecht, zoals dat bijvoorbeeld ook blijkt uit art. 3:81 lid 1 BW met betrekking tot beperkte rechten.12
Met bovenstaande opmerkingen is nog niet goed duidelijk wat de reikwijdte van het verbod van fiducia cum amico precies is. Stein geeft in zijn afscheidsrede enkele mogelijke interpretaties van de reikwijdte. Daarbij geeft hij gelijk aan dat alle genoemde interpretaties problematisch zijn. De eerste interpretatie houdt in dat het artikel tot doel heeft om schijnoverdrachten te weren. Dus dat partijen aan alle eisen voor een geldige overdracht hebben voldaan, maar dat zij nooit de bedoeling hebben gehad om het goed in eigendom naar de verkrijger te laten overgaan. Als deze interpretatie juist zou zijn, dan is dit verbod overbodig in de wet opgenomen. Dat een schijnoverdracht geen werking heeft, volgt volgens Stein al uit artt. 3:33 en 3:84 lid 1 BW.13
De tweede interpretatie die Stein geeft is dat de wetgever met het artikel heeft bedoeld om alle vormen van overdracht waarbij de nieuwe eigenaar één of meerdere belangen van de oude eigenaar blijft behartigen verbiedt. Alle mogelijke vormen van fiducia cum amico dus. Maar dat zou uitkomen op het verbod zoals Meijers dat oorspronkelijk in zijn ontwerp had opgenomen. En dat is volgens Stein nog minder aannemelijk dan de eerste interpretatie.14
Tot slot geeft Stein nog een interpretatie aan naar aanleiding van de bovenstaande toelichting die door de wetgever bij het artikel is gegeven.15 Die houdt in dat alleen verboden zijn die overdrachten die beogen dat de crediteuren van de verkrijger geen verhaal op het overgedragen goed hebben.16
Duidelijk is dat de precieze reikwijdte van de fiducia cum amico lastig te achterhalen is.17 De mogelijkheid die de minister aangeeft om de verkrijger bevoegdheden langs de obligatoire weg toe te kennen, is mogelijk niet ongelimiteerd. Dergelijke bevoegdheden kunnen immers invloed uitoefenen op de verhaalbaarheid van de goederen door schuldeisers van de verkrijger. Ook is het mogelijk dat met obligatoire afspraken de beschikkingsbevoegdheid van de verkrijger wordt beïnvloed. Als voorbeeld kan worden genoemd het vestigen van een beperkt recht onder de ontbindende voorwaarde van faillissement van de beperkt gerechtigde.18 Wolfert heeft met betrekking tot het vestigen van een recht van vruchtgebruik hierover opgemerkt dat deze vestiging in strijd is met het fiducia cum amico verbod van art. 3:84 lid 3 BW.19 Dit vanwege het feit dat door de vestiging van een vruchtgebruik met deze voorwaarde, het verhaalsrecht van schuldeisers bij een faillissement wordt beperkt.20 In een artikel met als onderwerp het vestigen van een opstalrecht onder ontbindende voorwaarde van faillissement van de beperkt gerechtigde, is Mouthaan van mening dat art. 3:84 lid 3 BW juist geen bezwaar oplevert.21 Ze geeft aan dat er volgens haar geen verschil zou moeten zijn tussen het overdragen van een goed onder ontbindende voorwaarde van faillissement en het overdragen van een goed met een willekeurige andere ontbindende voorwaarde. In beide gevallen is het volgens haar mogelijk dat er een verhaalsobject uit het vermogen van de verkrijger verdwijnt.22
Reehuis geeft ten aanzien van rechtshandelingen met een ontbindende voorwaarde het volgende aan. Indien deze voorwaarden in zouden houden dat de verkrijger in feite beschikkingsonbevoegd wordt of dat het goed automatisch terugvalt aan de vervreemder indien de verkrijger failliet gaat of er beslag op het goed wordt gelegd, dan is deze rechtshandeling nietig op grond van art. 3:84 lid 3 BW. De nietigheid berust volgens Reehuis op de grond dat dergelijke afspraken leiden tot een titel die niet strekt tot een daadwerkelijke overdracht. Een andere mogelijke argumentatie is volgens Reehuis dat er weliswaar een geldige overdracht tot stand is gekomen, maar dat de vervulling van de voorwaarde geen goederenrechtelijk effect zal sorteren vanwege strijd met het artikel.23
Reehuis spreekt met betrekking tot de beschikkingsbevoegdheid over het ‘in feite beschikkingsonbevoegd worden’. Betekent dit dat een beperking van de beschikkingsbevoegdheid mogelijk zou kunnen zijn? De wetgever geeft aan dat een overdracht die ertoe leidt dat de verkrijger niet volledig (curs. ams) beschikkingsbevoegd is, ook in strijd is met art. 3:84 lid 3 BW. Leidt deze vergaande opmerking van de wetgever ertoe dat elke overdracht onder ontbindende voorwaarde onder het verbod van art. 3:84 lid 3 BW valt? Immers, de verkrijger van een goed onder ontbindende voorwaarde is door die voorwaarde beperkt beschikkingsbevoegd.24 Hij heeft op grond van art. 3:84 lid 4 BW een recht verkregen dat aan dezelfde voorwaarde als de voorwaardelijke verbintenis is onderworpen. Dat zou inhouden dat elke voorwaardelijke verbintenis die ten grondslag ligt aan een overdracht tot een verboden overdracht op grond van art. 3:84 lid 3 BW zou leiden. Dat kan niet de bedoeling zijn.25
Ook bij afspraken die niet leiden tot een overdracht onder ontbindende voorwaarde speelt de vraag hoever de bevoegdheden van de verkrijger door deze afspraken kunnen worden ingeperkt. Dat enige inperking van de bevoegdheden mogelijk is, lijkt algemeen aanvaard. Zelfs als de afspraken leiden tot enige inperking van de beschikkingsbevoegdheid van de verkrijger.26 Vegter geeft in dit kader aan dat zolang partijen bij de overdracht geen ongeoorloofde splitsing van goederenrechtelijke rechten beogen, de overdracht ten titel van beheer geldig is.27 Maar daarbij blijft het lastig bepalen wanneer partijen dat nu wel of niet beogen. Nieuwesteeg beargumenteert dat verbintenisrechtelijke afspraken naar hun aard geen goederenrechtelijk effect kunnen hebben. Om die reden kunnen verbintenisrechtelijke afspraken niet leiden tot een splitsing of beperking van goederenrechtelijke rechten die in strijd is met art. 3:84 lid 3 BW. Die overweging leidt tot veel vrijheid bij het inkleden van de obligatoire afspraken.28
De verhaalbaarheid van de overgedragen goederen door schuldeisers van de verkrijger speelt, naast de mogelijke inperking van de beschikkingsbevoegdheid, ook een rol. De wetgever geeft, zoals hierboven vermeld, aan dat een overdracht niet tot gevolg mag hebben dat schuldeisers van de verkrijger zich niet op het overgedragen goed kunnen verhalen. Meerdere auteurs, zoals Stein en Wolfert hierboven, gebruiken mede deze overweging van de wetgever om de reikwijdte van art. 3:84 lid 3 BW te bepalen. Faber geeft aan dat deze overwegingen van de wetgever geen invloed hebben op de reikwijdte van het artikel. Voor de reikwijdte van art. 3:84 lid 3 BW moet volgens hem alleen worden gekeken naar het feit of de verkrijger in goederenrechtelijk opzicht rechthebbende van de overgedragen goederen is geworden. In een situatie waarin dat het geval is, maar privé-schuldeisers van de verkrijger zich niet op de goederen kunnen verhalen, is er geen strijd met art. 3:84 lid 3 BW volgens Faber.29
Uit het bovenstaande wordt afgeleid dat een overdracht van goederen waarbij beoogd is dat de verkrijger de goederen gaat beheren voor de vervreemder (of een derde) in beginsel niet verboden is op grond van art. 3:84 lid 3 BW. Zolang partijen een daadwerkelijke en volledige goederenrechtelijke overdracht willen bewerkstelligen blijven ze buiten het verbod van art. 3:84 lid 3 BW.30 Niet volledig duidelijk is wat de inhoud van de obligatoire afspraken mag zijn om het beheer vorm te geven.