Financiële controle in het gemeenterecht
Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/§1.3.:§1.3. Onderzoeksvraag en afbakening
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/§1.3.
§1.3. Onderzoeksvraag en afbakening
Documentgegevens:
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De keuze voor een onderzoek naar fmanciële controle onder het gedualiseerde gemeenterecht impliceert meerdere afbakeningen. Zo worden de gedualiseerde provinciale verhoudingen niet expliciet behandeld. De argumenten om dit niet te doen, zijn niet van principiële aard. Immers, eenzelfde dualisering heeft plaatsgevonden ten aanzien van het provinciebestuur en bovendien gelden de in de eerste paragraaf weergegeven argumenten voor fmanciële controle net zozeer voor de provincie als voor de gemeente. De keuze is vooral ingegeven omwille van de leesbaarheid van het onderzoek. Niettemin geldt vrijwel elke conclusie die in dit proefschrift zal worden getrokken ten aanzien van fmanciële controle bij gemeenten, mutatis mutandis ook voor deze controle bij provincies. Ook de gedualiseerde verhoudingen binnen de zogeheten BES-eilanden (Bonaire, Saba en Sint Eustatius), die in 2010 als openbare lichamen in de zin van art. 134 lid 1 GW in de Nederlandse rechtsorde zijn opgenomen, vormen geen onderdeel van dit onderzoek.
Verder is in dit onderzoek de gemeenteraad als uitgangspunt genomen. Dit heeft een meer principiële en een meer pragmatische rechtvaardiging. De principiële rechtvaardiging ligt in art. 125 lid 1 GW, waarin de gemeenteraad tot `hoofd' van het gemeentebestuur wordt verheven. Wat de precieze betekenis van dit artikel ook moge zijn:1 het is duidelijk de bedoeling van de grondwetgever geweest het (politieke) primaat binnen het gemeentebestuur bij de democratisch gekozen raad neer te leggen. De pragmatische rechtvaardiging is gelegen in de omstandigheid dat het grootste deel van de in dit onderzoek te behandelen controleurs van de gemeentefinanciën, zo dit niet de raad zelf is, op de één of andere wijze direct of indirect aan de raad verbonden is.2
Wanneer het uitgangspunt van de positie van de gemeenteraad wordt gecombineerd met de onderwerpen die zijn genoemd in de vorige paragrafen, kan worden gekomen tot de volgende centrale vraagstelling:
Wat is de staatsrechtelijke positie van de gemeenteraad ten aanzien van de financiële controle in de gedualiseerde verhoudingen?
Om tot een antwoord op deze centrale vraag te komen, moet een aantal voorvragen worden gesteld. De eerste voorvraag is welk beoordelingskader voor het vervolg van dit onderzoek kan worden gedestilleerd uit de dualisering van het gemeentebestuur. Juist omdat deze dualisering de achtergrond van deze studie vormt, moet getracht worden een zo duidelijk mogelijk beeld te krijgen van de grondgedachten van de dualiseringsoperatie. Daarbij kan echter niet worden voorbijgegaan aan de Grondwet die op haar beurt geldt als kader waarbinnen de dualisering van het gemeentebestuur zich heeft voltrokken. Hiermee moet de vraag worden beantwoord of uit Grondwet en Gemeentewet uitgangspunten kunnen worden afgeleid voor de beoordeling van de fmanciële controle en zo ja, welke dat zijn.
De tweede voorvraag is gericht op de vormen van fmanciële controle die in het gemeenterecht bestaan Immers, alleen na een grondige bestudering van de vigerende controle-instrumenten kan de centrale vraag van dit onderzoek worden beantwoord. Hierbij is het wel noodzakelijk te komen tot een aantal afbakeningen. Het onderzoek richt zich op wat zou kunnen worden aangeduid als de primaire financiële controle bij gemeenten. Daarmee wordt in twee opzichten een afbakening gegeven. Allereerst wordt het onderzoek op deze manier hoofdzakelijk beperkt tot die gemeentelijke instrumenten die nadrukkelijk (mede) in het leven geroepen zijn ten behoeve van de financiële controle. Daarbij moet vooral worden gedacht aan het begrotingsrecht, de jaarlijkse accountantscontrole, de controle van de gemeentelijke jaarrekening door de gemeenteraad en de controle door gemeentelijke rekenkamers. Naast deze vormen van controle kunnen in het gemeenterecht nog vele andere vormen van controle worden aangetroffen die niet primair of noodzakelijkerwijs gericht zijn op de gemeentelijke financiën, zoals het vragen- en interpellatierecht of het recht van enquête van de gemeenteraad. Hoewel het dikwijls zal voorkomen dat dergelijke door de gemeenteraad uitgevoerde controles (mede) fmanciële aspecten van het door het college gevoerde bestuur betreffen en aan deze vormen van controle de nodige aandacht zal worden besteed, zullen zij niet centraal staan. Een tweede beperking die voortvloeit uit de benadering van de primaire fmanciële controle is dat het onderzoek zich richt op de controle die op gemeentelijk niveau — door gemeentelijke organen of door instanties die door gemeentelijke organen worden benoemd — wordt uitgevoerd. (Inter)bestuurlijke toezichtsconstructies, rechterlijke toetsing en tuchtrechtelijke instrumenten vormen niet de kern van dit onderzoek. Dat wil overigens niet zeggen dat dergelijke secundaire controleinstrumenten onbesproken zullen blijven. Voor een plaatsbepaling van de controleurs die primair worden besproken, is het noodzakelijk de op hen van toepassing zijnde controle-instrumenten te onderzoeken. Dat geldt vooral voor het toezicht. Dit zal worden behandeld in hoofdstuk 8. Dat hoofdstuk moet niettemin worden gelezen in functie en perspectief van de primaire controle.
De vraag hoe de onderzochte vormen van fmanciële controle zich tot elkaar verhouden, is een derde voorvraag. Gelet op de centrale onderzoeksvraag is het niet verwonderlijk dat deze vraag in het bijzonder wordt gesteld ten aanzien van de verhouding tussen financiële controle die wordt uitgeoefend door de raad en financiële controle die wordt uitgeoefend door andere instanties. Niettemin kan het ook nuttig zijn de financiële controle door deze andere instanties met elkaar te vergelijken en waar mogelijk met elkaar in verband te brengen.
Een vraag die tegen de achtergrond van de tweede en derde voorvraag voortdurend zal worden gesteld, is hoe de onderzochte vormen van financiële controle zich verhouden tot de staatsrechtelijke positie van de gemeenteraad in de gedualiseerde verhoudingen. Zodoende worden de antwoorden op de tweede en derde voorvraag tegen het licht van het antwoord op de eerste voorvraag gehouden en kan de centrale onderzoeksvraag worden beantwoord.