Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/3.2.1
3.2.1 De doelstellingen van het enquêterecht
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS465577:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 22 december 1983, NJ 1985, 383 (OGEM Holding, m.nt. Maeijer).
OK 22 december 1983, NJ 1985, 383, r.o. 7 (OGEM Holding, m.nt. Maeijer).
Verzocht is om de vernietiging van een aantal besluiten, waaronder de besluiten tot het opmaken, vaststellen en goedkeuren van de jaarrekeningen 1973-1980 en de uit de besluiten tot goedkeuring voortgevloeide decharges.
OK 3 december 1987, rekestnr. 18/87 OK en 19/87 OK, dictum (OGEM Holding).
OK 3 december 1987, rekestnr. 18/87 OK en 19/87 OK, r.o. 4.12 (OGEM Holding). Vergelijk thans art. 2: 19 BW: een vennootschap wordt ontbonden indien na faillietverklaring de staat van insolventie intreedt (lid 1 sub c). De vennootschap blijft voortbestaan voor zover dit tot vereffening van haar vermogen nodig is (lid 4). Zij houdt op te bestaan op het tijdstip waarop de vereffening eindigt (lid 6).
Vergelijk HR 18 november 2005, JOR 2005, 295, r.o. 4.2 (Unilever, m.nt. Brink).
HR 10 januari 1990,NJ 1990, 466, r.o. 4.1 (OGEM Holding, m.nt. Maeijer). De HR heeft deze uitgangspunten uitdrukkelijk gehandhaafd in HR 26 juni 2009,ARO 2009, 107, r.o. 3.1.1 e.v. (KPNQwest).
Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXa – 56 (MvA). Over de omstandigheid dat surséance van betaling is aangevraagd, wordt opgemerkt (Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXa – art. 54b – 2-3 (MvA II)): ‘Door (het aanvragen van) surséance van betaling, waartoe het initiatief overigens van de vennootschap zelf moet uitgaan, wordt de enquêteprocedure niet doorkruist: integendeel het kan wenselijk zijn om gedurende de periode dat de betalingsverplichting is geschorst, orde op zaken te stellen. Door faillissement kan, zoals in het algemeen deel der memorie reeds ter sprake is gekomen, de sanering na enquête worden verhinderd; men kan van derden-schuldeisers echter moeilijk verlangen dat zij blijven stilzitten, indien de vennootschap is komen te verkeren in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen.’
Opvallend in dit verband is overigens dat de HR met geen woord rept over de bescherming van de belangen van minderheidsaandeelhouders, certificaathouders en werknemers.
Tijdens de parlementaire behandeling (vergelijk Handelingen II, 9595, 9596, 8 april 1970, p. 2908 resp. Handelingen II, 9595, 9596, 14 april 1970, p. 2949) is wel een tweetal opmerkingen gemaakt over het vaststellen van de verantwoordelijkheid voor gebleken wanbeleid. Zie wat betreft de doelstellingen van het enquêterecht ook de conclusie van A-G Timmerman (overweging 4.1 e.v.) bij HR 26 juni 2009,ARO 2009, 107 (KPNQwest). Zie over het vaststellen van de verantwoordelijkheid als doelstelling in kritische zin Van Brunschot 2008.
Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXa – 16 (MvT).
Aldus ook A-G Timmerman in zijn conclusie (overweging 4.23) bij HR 26 juni 2009, ARO 2009, 107 (KPNQwest). Vergelijk ook de paragrafen 5 en 6 uit de conclusie van Timmerman. Zie in kritische zin over faillissementsenquêtes onder andere Van Brunschot 2008.
Vergelijk in dit verband OK 3 augustus 1995, rekestnr. 242/95 OK, r.o. 4.2 resp. OK 9 juli 1998,JOR 1998, 122, r.o. 5.2 (Levensverzekering Maatschappij Vie d’Or, m.nt. Janssen): De gebeurtenissen bij Vie d’Or hebben een ernstige schok in de samenleving veroorzaakt. De ongeveer 11.000 polishouders van een door Vie d’Or verstrekte levensverzekeringspolis zijn ernstig gedupeerd. Het vertrouwen dat wordt gesteld in het levensverzekeringsbedrijf is daarmee in het geding.
Zie voor een uitwerking hiervan ook HR 15 januari 1997,NJ 1997, 368, r.o. 4.5.1 (Levensverzekering Maatschappij Vie d’Or, m.nt. Maeijer). De HR is van oordeel dat ook de polishouders recht hebben op opening van zaken.
Woorden van A-G Mok in zijn conclusie (overweging 3.4) bij HR 10 januari 1990,NJ 1990, 466 (OGEM Holding). Zie in soortgelijke zin A-G Timmerman in zijn conclusie (overweging 4.8) bij HR 18 november 2005,JOR 2005, 295 (Unilever). Raaijmakers (1990, p. 864) wijst er op dat de betekenis van een zuiver declaratoir niet dient te worden onderschat: ‘Er spreekt in wezen een soort maatschappelijke veroordeling uit jegens (de gedragingen van) de betrokken rechtspersoon en daarmee tot op zekere hoogte ook jegens degenen die daarbinnen belangrijke functies vervulden.’
Noot van Maeijer (onder 1) in NJ 1990, 466 (onder HR 10 januari 1990 (OGEM Holding)). Ingevolge art. 2: 355 lid 1 BW dient de tweede fase van de procedure te worden ingeleid met een verzoek tot het treffen van één of meer voorzieningen als bedoeld in art. 2: 356 BW.
OK 10 juni 2008, ARO 2008, 107 (ATR Leasing). Verzoekster had de OK aanvankelijk ook verzocht vast te stellen welke organen en personen verantwoordelijk waren voor het wanbeleid, maar heeft dit onderdeel van het verzoek ingetrokken.
45. OGEM Holding. De Ondernemingskamer heeft bij beschikking van 22 december 1983 het verzoek van onder andere de Vereniging van Effectenbezitters (VEB) tot het instellen van een onderzoek bij OGEM Holding toegewezen, niettegenstaande het feit dat OGEM Holding op 1 november 1983 failliet is verklaard.1 Zij overweegt daartoe, samengevat, dat het enquêterecht niet slechts tot doel heeft de vennootschap weer gezond te maken, maar dat het eveneens bescherming biedt tegen een gebrek aan openheid en een onbevredigende gang van zaken. De Ondernemingskamer wijst er voorts op dat het in geval van een faillissement voor aandeelhouders van belang is ‘dat door middel van een (...) onderzoek het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon vóór het faillissement kan worden vastgesteld, alsook zo sprake is geweest van fouten, wie daarvoor verantwoordelijk is en aansprakelijk kan worden gesteld.’2
Nadat het onderzoeksverslag ter griffie van de Ondernemingskamer is gedeponeerd, dienen de VEB en de procureur-generaal verzoeken in tot het vaststellen van wanbeleid en het treffen van voorzieningen.3 De Ondernemingskamer verklaart voor recht dat bij OGEM Holding in de periode van 1 januari 1970 tot 1 november 1983 op een zevental punten van wanbeleid is gebleken.4 Zij wijst de verzoeken tot het treffen van voorzieningen echter af: niet alleen is er geen grond aanwezig met het oog op herstel van de juiste verhoudingen de dechargebesluiten – die zijn vervat in de besluiten tot goedkeuring van de jaarrekeningen – te vernietigen, ‘in aanmerking genomen het feit dat Ogem sinds 17 april 1985 in staat van insolventie verkeert is het treffen van (de) andere gevraagde voorzieningen evenmin passend of geboden.’5
46. Hoge Raad. Verschillende bestuurders en commissarissen hebben beroep in cassatie ingesteld tegen de boven weergegeven overwegingen van de Ondernemingskamer. De Hoge Raad verenigt zich echter met haar oordeel. Hij overweegt dat de wetgever blijkens de ontstaansgeschiedenis van de regeling als doeleinden van een enquête (lees: het enquêterecht6) ‘niet slechts heeft beschouwd de sanering van en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon, maar tevens de opening van zaken en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid, terwijl bovendien van de mogelijkheid van de instelling van een enquête een preventieve werking zou kunnen uitgaan. Dit brengt mede dat het de OK vrijstaat om in voorkomende gevallen te volstaan met de uitspraak dat gebleken is van wanbeleid bij de betrokken rechtspersoon, zonder tevens één of meer van de in art. 2: 356 BW genoemde voorzieningen te treffen, en dat er derhalve geen grond is om aan te nemen dat de OK zich van ieder oordeel zou moeten onthouden indien de rechtspersoon surséance van betaling heeft verkregen of in staat van faillissement is verklaard en sanering of herstel van gezonde verhoudingen niet meer tot de mogelijkheden behoort.’7
47. Een vergelijking van de uitspraak van de Hoge Raad met de parlementaire geschiedenis leert dat hij het toepassingsgebied van het enquêterecht heeft uitgebreid. Hij staat toe dat een onderzoek wordt gelast bij een vennootschap die reeds failliet is verklaard en dat de Ondernemingskamer verzoeken tot het treffen van voorzieningen als bedoeld in art. 2: 356 BW in behandeling neemt hoewel sanering niet meer tot de mogelijkheden behoort. Uit de parlementaire geschiedenis van de enquêteregeling blijkt daarentegen dat de wetgever met de invoering ervan in 1928 en de aanpassingen rond 1970 het oog heeft gehad op op zichzelf financieel gezonde vennootschappen, althans op vennootschappen die na sanering gezond kunnen voortbestaan. Over de omstandigheid dat een faillissement dreigt, is slechts een korte opmerking gemaakt: ‘De enquêteprocedure verhindert niet het instellen van andere acties, b.v. het aanvragen van faillissement. Wordt de vordering daartoe toegewezen, dan wordt de sanering in zekere zin doorkruist, omdat dan voor sanering geen gelegenheid meer is, maar dat geschiedt dan ook niet zonder reden.’8 De wetgever laat ons voor het overige in het ongewisse. Zo wordt niet vermeld welke gevolgen het faillissement heeft voor de reeds aanhangige enquêteprocedure. Aan de variant dat een onderzoek wordt gelast ná faillietverklaring is door de wetgever in het geheel geen aandacht besteed.
Uit de vergelijking met de parlementaire geschiedenis blijkt dat de Hoge Raad ook de doelstellingen van het enquêterecht heeft uitgebreid, door het vaststellen van de verantwoordelijkheid voor gebleken wanbeleid als doelstelling op dezelfde hoogte te plaatsen als opening van zaken en sanering.9 Deze doelstelling is in de memories van toelichting en antwoord als zodanig niet vermeld.10 In de me- morie van toelichting is door de minister weliswaar een korte opmerking gemaakt over het vaststellen van de verantwoordelijkheid, maar uit de context kan worden afgeleid dat deze vaststelling een ander en beperkter doel dient: ‘in dit verband zij verwezen naar het opnieuw geformuleerde artikel 53e betreffende het kostenverhaal (thans art. 2: 354 BW, FV).’11 Met andere woorden, de vaststelling van de verantwoordelijkheid – bovendien: voor een onjuist beleid (zie art. 53e WvK respectievelijk art. 2: 354 BW) – heeft alleen betrekking op de aan de vennootschap toegekende bevoegdheid om de onderzoekskosten op bijvoorbeeld haar bestuurders te verhalen. Deze conclusie wordt ook ondersteund door het vervolg van het citaat: ‘In het laatste stadium gaat het ten slotte om de vraag, of er uit het verslag van wanbeleid is gebleken, op grond waarvan speciale maatregelen van de zijde der ondernemingskamer geboden zijn.’
Ik ben van mening dat voor de beslissing van de Hoge Raad veel is te zeggen.12 Wellicht dragen een uitvoerig onderzoek naar de feiten en het oordeel van de Ondernemingskamer daarover er toe bij dat in een casus als de onderhavige de maatschappelijke onrust wordt weggenomen.13 Bovendien hebben de aandeelhouders en werknemers er naar mijn mening recht op te weten wat zich in ‘hun’ vennootschap heeft afgespeeld.14 Dat het niet meer mogelijk is de vennootschap weer gezond te maken, eventueel met behulp van door de Ondernemingskamer te treffen voorzieningen, maakt dit niet anders. Mogelijk vinden zij in de door middel van het onderzoek verkregen opening van zaken en de vaststelling door de Ondernemingskamer dat van wanbeleid is gebleken en welke organen hiervoor verantwoordelijk zijn, ‘een zekere mate van genoegdoening’.15 Maeijer vraagt zich in zijn noot onder de beschikking van de Hoge Raad wel af of uit een en ander niet uit zou moeten volgen dat verzoe- kers ook kunnen volstaan met het verzoek om een declaratoir zonder dat tevens wordt verzocht één of meer voorzieningen te treffen.16 De Ondernemingskamer heeft deze vraag bevestigend beantwoord in de beschikking van 10 juni 2008 inzake ATR Leasing: zij staat hierin toe dat volstaan wordt met een verzoek om een verklaring voor recht dat van wanbeleid is gebleken.17