Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/6.5.1.5:6.5.1.5 Potestatieve voorwaarden versus categorie 11-voorbehouden (goedkeuring door een derde)
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/6.5.1.5
6.5.1.5 Potestatieve voorwaarden versus categorie 11-voorbehouden (goedkeuring door een derde)
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS298207:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Utrecht 19 december 2001, NJkort 2002, 10.
Vgl. Vznr. Rb. Utrecht 14 maart 1989, KG 1989, 171 (Vredenburg/C&E) voor een geval waarin een voorbehoud van goedkeuring door de directie niet kon worden ingeroepen en Vznr. Rb. Amsterdam 7 december 2000, KG 2001, 17 (Mastum/NCM) voor een geval waarin op een dergelijk voorbehoud wel een beroep gedaan kon worden.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat het onderscheid tussen een potestatieve voorwaarde en een zuiver categorie IIvoorbehoud dat wel als een opschortende voorwaarde kan worden gekwalificeerd, ook voor de praktijk niet altijd duidelijk is en dat de praktijk met dit leerstuk worstelt, volgt ook uit de uitspraak van de Vznr. Rb. Utrecht van 19 december 20011 In de casus die aan deze uitspraak ten grondslag lag had een zekere Kooijmans met de gemeente Utrecht een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot een perceel grond waarbij zijdens de gemeente was gedongen dat de overeenkomst werd gesloten onder het voorbehoud van goedkeuring door het College van Burgemeester en Wethouders en de gemeenteraad. B&W keurden de overeenkomst goed en de raadscommissie voor Ruimtelijke Ordening en Wonen stemde eveneens met de koopovereenkomst in. De gemeenteraad wees evenwel het voorstel van B&W om over te gaan tot verkoop van het perceel aan Kooijmans af. De rechtbank overwoog dat de gemeenteraad (bij uitsluiting) bevoegd is om besluiten te nemen met betrekking tot de vervreemding van gemeente-eigendommen, waarbij de gemeenteraad in beginsel vrij is haar toestemming tot verkoop al dan niet te verlenen. Aan die vrijheid worden echter, aldus de rechtbank, in zoverre grenzen gesteld dat het handelen van de gemeente niet mag worden uitgeoefend in strijd met geschreven en ongeschreven regels van publiekrecht.
De gemeente voerde aan dat de overeenkomst met betrekking tot het betreffende perceel gesloten was onder de (opschortende) voorwaarde dat de gemeenteraad haar toestemming zou verlenen. Van een dergelijke voorwaardelijke verbintenis in de zin van art. 6:21 BW was echter volgens de rechtbank in het onderhavige geval geen sprake,
"aangezien het voorbehoud inhield dat de gemeente haar toestemming opschortte totdat de gemeenteraad, een orgaan van de gemeente, de overeenkomst zou hebben goedgekeurd. Dat is een zogenaamde `potestatieve voorwaarde', waarvan de vervulling afhankelijk is van de wil van (een orgaan) van de gemeente zelf en niet van een toekomstige onzekere gebeurtenis."
Anders dan de rechtbank ben ik van mening dat in de onderhavige casus geenszins sprake is van een potestatieve voorwaarde. Het gegeven dat de gemeenteraad bevoegd is om (intern) besluiten te nemen met betrekking tot de vervreemding van gemeente-eigendommen maakt nog niet dat zij bevoegd is de gemeente extern te kunnen vertegenwoordigen. Het voorbehoud van goedkeuring door het college van Burgemeester en Wethouders kan wel worden gezien als een potestatieve voorwaarde, maar daar ging het in deze procedure niet om; het college van Burgemeester & Wethouders had immers al goedkeuring gegeven en de zaak "bleef steken" op het ontbreken van goedkeuring door de gemeenteraad. Deze dient, even als het college van Burgemeester en Wethouders overigens, weliswaar te worden gekwalificeerd als een orgaan van de gemeente, maar omdat de gemeenteraad niet bevoegd is om de gemeente te binden kan van een potestatieve voorwaarde (in de zin van: "ik wil wanneer ik wil") geen sprake zijn. Dat de gemeenteraad een orgaan van de gemeente betreft, waaraan de rechtbank kennelijk (gezien de veelvuldige referte daaraan) waarde hecht, is voor wat betreft het leerstuk van de potestatieve voorwaarde m.i. niet relevant. Hooguit kan dit gegeven van belang zijn voor het antwoord op de vraag of, indien goedkeuring op oneigenlijke gronden zou worden onthouden (in strijd met de redelijkheid en billijkheid) én dit onder de gegeven omstandigheden van het concrete geval ook onrechtmatig is jegens de onderhandelingspartner, deze onrechtmatige handelwijze van een orgaan van een rechtspersoon ook aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Dit is echter een vraag van andere orde.2
Met het vorenstaande kan m.i. worden vastgesteld dat categorie I-voorbehouden (in de zuivere, door mij hiervoor gedefinieerde vorm) in beginsel juridisch niet zullen kunnen kwalificeren als opschortende voorwaarden omdat zij dan als potestatieve voorwaarden moeten worden aangemerkt. De meest voor de hand liggende kwalificatie van categorie I-voorbehouden is die van vormvereisten of die van beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid. Categorie II-voorbehouden (goedkeuringsvoorbehouden) kunnen kwalificeren als een opschortende voorwaarde mits, wanneer het om een rechtspersoon gaat, de persoon of het orgaan aan wie de goedkeuring dient te worden verzocht, niet zelf vertegenwoordigingsbevoegd is. Zoals uit het navolgende zal blijken, kunnen dergelijke categorie II-voorbehouden echter in veel gevallen ook worden gezien als een beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid of als een vormvereiste. Categorie III-voorbehouden zullen kunnen kwalificeren als opschortende voorwaarden of voorovereenkomsten, waarbij de eerste variant naar mijn mening het meest voor de hand zal liggen.